3 Over pragmatisme, sensibiliteit en stavolutie

Dit hoofdstuk in het kort

Voor we het weten leven we in en volgens patronen. Hoe we eten is een patroon. Wat we beschaafd noemen staat voor een patroon, in taal gebruiken we heel veel patronen. Zulke patronen zetten zich in ons vast en leiden tot vooringenomenheden, die invloed hebben op onze oordeelsvorming. We zijn ermee vertrouwd, ervaren ze als een natuurlijk gegeven. Het veranderen of afleggen ervan is lastig. Je moet dan weer fris zijn en verschijnselen als nieuw ervaren.

Vooringenomenheid kan ook als patroon ontstaan in de vorm waarin je je leven hebt gestructureerd. Zo’n patroon zet zich dan bijvoorbeeld vast als belang. Een belang afleggen is nog lastiger. Soms is een patroon in jezelf zo dominant dat het je leven beheerst. Als je zo’n patroon niet kunt veranderen, noemen we dat verslaafd zijn.

In het volgen van regels ontstaan patronen. In de westerse samenleving was de waarde van regels dat er patronen konden ontstaan. Als regels te rigide zijn, niet passen bij de omstandigheden waarin mensen staan, dan ontstaan patronen niet en volgen mensen regels op basis van hun wil of moet de regelopsteller steeds ingrijpen. Zowel voor hen die de regels ondergaan als voor de opsteller is dat vermoeiend en frustrerend: het leidt tot stress en depressiviteit. Deze schets typeert de toestand in veel westerse landen aan het begin van de 21e eeuw.

Patronen ontstaan in wisselwerking met en in een omgeving. De realiteit is principieel in beweging en leven is niets anders dan staan in die voortdurend veranderende realiteit. Mensen hebben steeds getracht aan voortdurend veranderen te ontsnappen door te zoeken naar onveranderlijke ordeningen. Als je in de geschiedenis van de filosofie duikt, wordt dat zichtbaar: ze is getekend door zoeken naar een absolute waarheid die je als mens zou kennen. Ze leidde tot een vooringenomenheid dat de betekenis die mensen geven, mag domineren over vormen van betekenis die buiten hen liggen. Daarbij kon het niet anders dan dat verschijnselen die niet pasten in een menselijke manier van beschouwen óf niet werden waargenomen óf werden genegeerd. We erkennen inmiddels dat dit tot problemen heeft geleid bij onderwerpen als duurzaamheid, bescherming van het milieu, honoreren van variëteit.

Hoe patronen in wisselwerking met een omgeving ontstaan, hoe we patronen gebruiken, hoe deze verbonden zijn met betekenis – dit lijken de meest verwaarloosde aspecten in de filosofie te zijn. Filosofen hebben vooral gezocht naar ordeningen waarin alles kon worden verklaard. De Amerikaanse filosoof Richard Rorty noemde Wittgenstein, Heidegger en Dewey de belangrijkste filosofen van de 20e eeuw, omdat ze alledrie betekenis die mensen geven of herkennen, benaderen door mensen te zien in wisselwerking met hun omgeving. Zij staan voor een doorbraak, maar wie doet er iets mee?

Wie dieper ingaat op die wisselwerking, ziet dat beschouwingen over ontstaan van patronen desondanks ook bij genoemde filosofen weinig aandacht kreeg. Ze zagen wel dat een begrip geleidelijk ontstaat, in ervaringen tot ontwikkeling komt. Maar juist dat ontstaan en die ontwikkeling werkten zij niet uit. In dit hoofdstuk gaan we daar wel op in en introduceren het begrip stadiumgewijze evolutie, afgekort tot stavolutie. Stavolutie is niet gebaseerd op onderbouwen en verklaren, maar op verbinden van betekenis aan verschijnselen die zich aan mensen voordoen. Stavolutie is waarneembaar in elke wisselwerking van levende wezens in en met een omgeving. Ze heeft een eigen logica, beschreven door de filosoof Von Hartmann.

Stavolutie laat zien hoe patronen en betekenis in wisselwerking met een omgeving tot stand komen. We leren inzien hoe lang het duurt eer iets stavolutionair ontstaat, hoe gemakkelijk een stavolutie kan worden verstoord, hoe we een stavolutie kunnen bevorderen of versnellen, hoe ziekmakende omstandigheden eruit zien, wat we verwaarlozen door het ontstaan van patronen te negeren. Je ervaart hoe snel je iets beschadigt wat in stavolutie kan ontstaan. Je krijgt inzicht in wat je allemaal overslaat als je doelen stelt. Je voelt je eigen onvrede over het feit dat je weinig lijkt te kunnen doen, dat je ‘course of action’ je lijkt te worden ontnomen. Je loopt tegen je eigen vooringenomenheden aan. Je krijgt een vergrootglas om ze te bekijken als je organiseert en construeert.

3.1 De ontwikkeling in filosofie en hoe we die kunnen begrijpen

3.1.1 Denken gaat boven ervaren bij organiseren in onze tijd

In 1900 woonden er zo’n 3 miljoen mensen in Nederland. Anno 2002 zijn dat er 13 miljoen meer. Die groei-explosie is vrijwel overal ter wereld terug te vinden en heeft 6 miljard mensen opgeleverd die samen de aarde bevolken: een verdubbeling in de laatste 40 jaar. Deze getallen laten zien hoe groot de invloed van de mens op de omgeving is en hoe succesvol mensen zijn geweest om de natuur naar hun hand te zetten.

We leven inmiddels in een wereld die we zelf hebben geschapen. In welk Nederlands stukje grond is nog nooit de spa gestoken, wie leeft er nog in de open lucht? We gaan naar verre landen om van de zon te genieten, in een tentje te slapen, nieuwe omgevingen te leren kennen. We moeten ons dan aanpassen, terwijl we het thuis juist zo hebben georganiseerd dat we omstandigheden naar onze hand hebben gezet. We zijn daarna druk die omstandigheden te handhaven. We worden er op vakantie soms mee geconfronteerd hoe lastig aanpassen kan zijn. Een voorbeeld:

Op vakantie in Kreta

Het verbaast mij altijd dat ik na verloop van tijd gewend raak aan omstandigheden die ik aanvankelijk afwijs. Zo was ik een keer met vakantie op Kreta. Wij hadden geboekt voor een stil, eenvoudig appartement in een groene omgeving. Wat bleek toen we aankwamen? Voor de deur werd een nieuw complex gebouwd. Vliegtuigen vlogen zeer regelmatig over. Elke 10 minuten sloeg een aggregaat aan voor de airconditioning van de naburige supermarkt. Hoezo stil? Het eenvoudige appartement bleek primitief te zijn: nauwelijks glazen en kopjes of bestek. Bij het douchen spatte je onontkoombaar de hele cel nat. We namen contact op met de touroperator, die geen alternatief had. De ‘buren’ vonden onze klachten overdreven. Zij kwamen er al 14 jaar, hoewel er wel veel was veranderd. Toen ze er de eerste keer waren, was het echt stil en onbebouwd. Nu was daarvan geen sprake meer. Wat in de reisgids stond, gold jaren geleden, maar nu niet meer.

De eigenaar zei dat we geïrriteerd waren vanwege een verlate vlucht en de muggen die onze eerste nacht hadden verstoord. Na twee weken zouden we het best prettig vinden en tevreden vertrekken.

En inderdaad. In de loop van 14 dagen en een verhuizing naar een ander appartement in het complex veranderden we. Niet dat onze klachten verdwenen waren, maar we hadden ontdekt hoe prettig het klimaat was, hoe veel rust het terras gaf, hoe ontspannen het leven er aan toe ging. Toen we weggingen was er nog steeds herrie, maar we hadden ons aangepast. Tegen de muggen hadden we een middel gevonden in de plaatselijke supermarkt. We sliepen door terwijl ’s nachts de vliegtuigen overvlogen. We leken eraan gewend geraakt.

Iedereen kent voorbeelden uit eigen omgeving, heeft die ervaring. We hebben een groot vermogen ons aan te passen aan omstandigheden en accepteren verschijnselen waarvoor we niet op voorhand kiezen. Op het moment dat we in nieuwe omstandigheden staan, zien we wat we moeten accepteren en herkennen wat we verliezen, maar we weten nog niet wat we zullen winnen. Bij accepteren van omstandigheden ontdek je dingen die je niet kon weten en plezierig blijkt te vinden.Het tegendeel kan ook, het is nog vervelender dan je verwachtte. Na een periode treedt gewenning op. Dan zijn we onze hinder kwijtgeraakt, niet omdat we wat ons hinderde zijn vergeten, maar we kunnen het plaatsen in de toestand daar, terwijl we de hinder bij aankomst plaatsten in de toestand die we gedacht hadden en van huis meenamen.

In onze westerse wereld maken managers veel gebruik van gewenning. Je kunt zelfs stellen dat westerse managementmethoden erop zijn gebaseerd. Stel je voor: een manager verandert iets en stelt nieuwe regels. Sommige medewerkers protesteren. “Maar probeer het nou eens en je zult zien dat het wel meevalt”, zal de manager zeggen. En inderdaad, na verloop van tijd valt het meestal mee. Om dat proces te helpen, selecteert hij nieuwe medewerkers die niet kunnen vergelijken met de vorige situatie en bereid zijn volgens de nieuwe regels te werken. De nieuwelingen ervaren niet dat ze iets verliezen: ze worden gevraagd en kunnen eisen stellen zodat ze een andere afweging maken. Nadat iedereen enige tijd volgens de nieuwe regels werkt, zien we vaak dat voormalige tegenstanders handhavers van de nieuwe regels worden.

Algemeen: door omstandigheden te wijzigen zullen mensen in wisselwerking met de omgeving hun gedrag wijzigen. Na verloop van tijd ontstaat een patroon waarin ze aan die omstandigheden gewend zijn en zelfs aan dat patroon gehecht raken. Soms lukt dat niet, ontstaat er geen patroon. Soms is een patroon zo dominant geworden dat ze zich er niet meer aan kunnen onttrekken, ook al zouden ze willen.

Westerse managers weten vaak wat wel en niet werkt en hoe snel mensen wennen. Maar ze kunnen doorschieten en regels stellen of procedures invoeren die een omgeving scheppen waarin mensen niet kunnen werken. Dan valt werken in de nieuwe situatie tegen. Mensen gedragen zich dan wel naar de nieuwe regels, maar het kost hun moeite en bij het ontdekken van nieuwe tegenvallers steeds meer moeite. Ze willen er dan over praten, maar een manager negeert dat in veel gevallen. Hij denkt dat het wel went. Zijn regels leiden immers naar het gestelde doel. Hij overweegt nieuwe medewerkers of is al bezig met andere regels. Hij verbindt zich niet met de situatie waarin mensen staan en wat ze ervaren, zodat hij net zo snel van mening en concepten kan veranderen als hij denken kan.

Maar na verloop van tijd worden mensen depressief. Ze voelen zich genegeerd en worden gedwongen te negeren wat voor hen betekenis heeft. Dit fenomeen treedt vooral op als managers te grote afstand krijgen ten opzichte van hun medewerkers. Ze weten dan niet meer in hoeverre ze ziekmakende omstandigheden scheppen. Vooral grote organisaties gaan gebukt onder dit probleem. Het is niet voor niets dat het ziekteverzuim en het verloop daar het hoogst is.

Regels mogen stellen en ervan uitgaan of eisen dat mensen zich schikken, zonder zich af te vragen wat er voor hen toe doet, is inmiddels zo algemeen dat dit een oorzaak lijkt van de hoge WAO-instroom in Nederland. Het is dan opmerkelijk dat de commissie die zich boog over dit probleem, in mei 2001 met voorstellen kwam voor regels die juist mank gingen op dit punt: de commissie ontkende ziekmakende omstandigheden in arbeidsomgevingen.Commissie Donner. Wat een manager doet is vaak simpel: hij stelt een doel en is in een positie om regels te maken die richting geven aan activiteiten van medewerkers. Hij negeert wat afleidt van het te bereiken doel, ook als dat voor medewerkers ertoe zou doen. De betreffende commissie vindt uitval door ziekte ongewenst: zij ziet dat fenomeen niet als uitvalsverschijnsel dat inherent is aan deze vorm van organiseren, maar als een vorm van comfort waarin medewerkers vluchten en waaraan een einde moet komen. De commissieleden staan in dezelfde managementmethode: ze stellen ten doel dat zoveel mogelijk mensen moeten werken. Zinvol werk is betaald werk. Alleen zij die fysiek niet in staat zijn tot werken worden als ziek geaccepteerd. Ze gaan ervan uit dat dit feit objectief is vast te stellen. Wie psychisch niet in orde is, wordt nauwelijks als ziek gezien. Ze negeren daarmee juist het probleem dat ze wilden oplossen, namelijk betekenis geven aan het fenomeen dat mensen (psychisch) ziek worden. De commissie expliciteert dit negeren. Het ziet eruit als ontkenning. De methode waarmee de problemen zijn ontstaan, wordt gebruikt om de problemen op te lossen.

Doelen stellen en het realiseren ervan is een vorm van wat we eerder construeren hebben genoemd. Construeren is kenmerkend voor de westerse samenleving. We passen het in allerlei omstandigheden toe. Het is vanzelfsprekend dat we het als manier van organiseren gebruiken, ook al weten we dat er negatieve bijwerkingen ontstaan. We passen het toe op ons eigen lichaam: we willen geen pijn en nemen een pilletje. We willen er mooier uitzien en laten ons ‘liften’. We willen lol of willen vergeten en gebruiken drugs. We willen meer presteren en gebruiken doping. Het zijn vormen van construeren waarvan we de bijverschijnselen vaak niet accepteren, maar niet weten hoe we daarmee moeten omgaan. In Nederland en andere Europese landen hebben politici aanvaard dat het drugsprobleem onoplosbaar is. Ze lijken zich niet te verdiepen in de vraag waarom. Het antwoord is: omdat de onoplosbaarheidheid van het drugsprobleem inherent is aan onze methode van organiseren. Het oplossen ervan zou eisen dat we anders organiseren. Dat is onhaalbaar, omdat het omstandigheden verlangt die niet maakbaar zijn. Het gebruik van drugs is een icoon van de toestand waarin we met elkaar staan.

Daarmee zijn we bij een kernpunt: we denken ons vaak een gewenste toestand in en construeren die. We rationaliseren de wisselwerking met de omgeving, stellen vanuit onszelf doelen en gebruiken middelen om die doelen te bereiken en de omgeving te veranderen. Of die omgeving nu ons lijf is of de omgeving waarin we als mens staan, maakt voor het gebruik van deze manier van organiseren niet uit. Alleen lijkt het gemakkelijker de negatieve bijwerkingen van construeren in en aan ons lichaam te herkennen, dan de negatieve bijwerkingen die construeren in onze omgeving heeft veroorzaakt.

3.1.2 Het Aristotelisch-Thomistisch paradigma

Het is interessant filosofiegeschiedenis te benaderen vanuit de ontwikkeling van het gewicht dat denken en de dragers ervan – filosofie en wetenschap – zijn gaan innemen. Tot in onze tijd is de plaats die denken heeft en mag hebben omstreden. Zo bracht Paus Johannes Paulus II in de jaren 90 de encycliek Ratio et Fides uit. Het is een betoog over de ratio die in onze tijd te dominant wordt gevonden en een pleidooi voor meer gewicht van geloof en geloven. De vooraanstaande Amerikaanse filosoof Rorty schreef in ‘Science as solidarity’ (1991) dat wetenschap methode was geworden bij organiseren en ordenen. In die methode mag je niet domineren of emotioneel worden en moet je blijven zoeken naar ordeningen, blijven vertrouwen op je argumenten. Het schept een band tussen degenen die zo in de wereld staan. In Nederland heeft de VVD in de jaren 90 het standpunt ingenomen dat bij beschouwingen emotie moest worden uitgebannen. Alleen de ratio en rationele benaderingen waren middelen om de maatschappij en samenleving in te richten. Dat paradigma kwam niet uit de lucht vallen, zoals we zullen zien.

De geschiedenis van de filosofie is een spannend verhaal als je het leest als een zoektocht naar wat mensen met hun verstand en rede kunnen weten en begrijpen. Die zoektocht is niet los te zien van wat op het vlak van wetenschap en technologie daadwerkelijk gebeurde. Niet dat elke wetenschappelijke of technische vondst regelrecht is te verbinden met de denkwijze in diezelfde tijd, maar er is wel een verband tussen wat mensen in een bepaalde periode bereiken en hoe ze tegen de wereld aankijken. In hoofdstuk VIII staat die samenhang centraal.

Een belangrijke mijlpaal is het Aristotelisch-Thomistisch paradigma. Het is een model dat stelt dat mensen de realiteit kunnen kennen. Er is echter bovennatuurlijke waarheid die niet door menselijke denkkracht kan worden doorgrond. Het paradigma ontstond in de 13e eeuw als uitleg en interpretatie van de realiteit door Thomas van Aquino. In 1879 werden de Thomistische stellingen door de r.-k.kerk tot officiële leer uitgeroepen en in 1931 herbevestigd door het Thomisme uitdrukkelijk voor te schrijven als filosofische grondslag voor het katholieke onderwijs. Ratio et Fides borduurt hierop verder. Het werk van Thomas van Aquino domineert tot vandaag de dag het katholieke onderwijs – althans in Nederland – en wordt – vaak impliciet – ook in onderwijs op andere levensbeschouwelijke grondslag als uitgangspunt gekozen. In die benadering is ten opzichte van de evolutietheorie de positie ingenomen dat die theorie speculatief is en daarom niet als vertrekpunt mag worden genomen voor het vormen van een oordeel. Er moet wel kennis van genomen worden, omdat je die stroming niet kunt negeren. In de westerse wereld is vrijwel iedereen, meestal onbewust, met het Aristotelisch-Thomistisch paradigma opgevoed.

De leer van Thomas van Aquino is niet te begrijpen zonder een blik op de 13e eeuw. Toen werd de noodzaak gevoeld theologie te verbinden met natuurfilosofische beschouwingen over ‘de’ omgeving. De scholastiek streefde een ordening na, die voortvloeide uit haar uitgangspunt: de waarheid werd niet gevonden door ervaren, maar door denken een grondslag te geven en vanuit die grondslag verschijnselen te verklaren. De theologische dogma’s van toen zijn te herleiden tot drie uitgangspunten:

  1. Door de rede moet een helder inzicht ontstaan in de geloofswaarheden, die daardoor dichter bij de ervaring van mensen aansluiten.
  2. Het moet mogelijk zijn geloofsuitspraken te ordenen en samenhang te geven.
  3. Tegenwerpingen tegen geloofswaarheden moeten met filosofische argumenten te beantwoorden zijn.

De scholastiek bediende zich van de methode: eerst nagaan wat belangrijke denkers al hadden gezegd, dan voor- en tegenargumenten formuleren en afwegen, daarna een eindoordeel vormen. Wat in het verleden was gedacht, kreeg zo een groot gewicht bij het verwerven van nieuw inzicht.

Volgens Thomas van Aquino waren er twee scherp afgebakende domeinen: geloof en weten. Hij was ervan overtuigd dat er een wetmatig geordende realiteit bestond die gekend kon worden. De benadering van Aristoteles (384 - 323 v.C.): zijn methodisch-logische ordening van begrippen, kinetische opvattingen en oorzaak- en gevolgredeneringen, gebouwd op een logica die zelfs bij Kant aan het einde van de 18e eeuw nog is terug te vinden, verschaften een geordend geheel dat paste. De Aristotelische beschouwingswijze kon worden verbonden met de toen heersende theologische opvattingen over God als onbewogen beweger, de finale eeuwige oorzaak. De aandacht kon worden verlegd naar een metafysica, waarbij zintuiglijk waar te nemen experimenten als bewijs en verklaring mochten gelden.

Thomas van Aquino ging uit van de mogelijkheid van ware objectieve kennis en verwierp het idee dat de realiteit voortkomt uit de menselijke geest: mensen kunnen de realiteit wel kennen uit verschijnselen en haar ordenen, maar kunnen de ordening niet ontwerpen. Objectieve menselijke kennis is ontoereikend om alle optredende verschijnselen in de realiteit te verklaren. Hij veronderstelde een bovennatuurlijke waarheid, de geheimen des geloofs, die niet door denkkracht te betreden zijn: de menswording van Christus de verlosser, de drie-eenheid Gods. Tussen weten en geloven kan nooit tegenspraak ontstaan: de christelijke waarheid gaat weliswaar het verstand te boven, maar er niet tegenin. De waarheid is ongedeeld omdat zij op God steunt. Het verstand kan waarheden over God herkennen. De meeste mensen zijn door gebrekkige aanleg, traagheid en allerlei plichten niet in staat zich in waarheden over God te verdiepen. Daarom is het goed dat wat wel en niet gekend kan worden, in geloofswaarheden wordt geopenbaard.

Het stelsel dat zo ontstond, schiep harmonie tussen geloven en weten en maakte natuurkundig onderzoek, gebaseerd op zintuiglijke waarneming, mogelijk. De gedachte echter dat de aarde het middelpunt van de kosmos was en zintuigen niet zo’n gezonde en veilige basis waren voor het doen van uitspraken, ontwikkelde zich als juk op de schouders van elke onderzoeker die het beeld van deze realiteit aantastte. Het verbinden van de Aristotelische metafysica met de christelijke leer had als gevolg dat elke wetenschapper zich voortaan – met gevaar voor eigen leven – theologisch moest verantwoorden bij paradigmatische wijziging van een visie op de realiteit. Desondanks bleek het eeuwen mogelijk het geordende stelsel uit te breiden ten koste van de bovennatuurlijke wereld, zonder de Thomistische uitgangspunten te verlaten.

3.1.3 De autonomie van de menselijke geest

3.1.3.1 De rol en betekenis van wiskunde

De metafysische benadering van Aristoteles hield stand tot de 17e eeuw. De ontwikkeling van wiskundeHet magistrale werk van Dijksterhuis (1985) was een belangrijke bron voor deze paragraaf. was toen zover dat ze de basis werd van een benadering van de realiteit die meer verklaarde dan het stelsel van Aristoteles. Onbetrouwbare uitspraken voortvloeiend uit zintuiglijke waarnemingen, konden worden vervangen door theorieën ontleend aan wiskunde. Er ontstonden formele systemen om de realiteit te duiden: de realiteit werd gereduceerd tot wat met wiskundige beschouwingen overeenkwam of waarop wiskunde kon worden toegepast en wat door experimenten kon worden gestaafd.

Descartes (1596-1650) introduceerde een wiskunde waarin uitgebreidheid, beweging, ruimtelijke vorm en contact tussen lichamen domineren. Zijn analytische meetkunde maakte nieuwe verklaringen en voorspellingen mogelijk. Ze was een belangrijk onderdeel van de fysica – leer der bewegende ruimtelijke vormen – die, evengoed als meetkunde die zich met statische ruimtevormen bezighoudt, uit a priori vaststaande axioma’s wordt afgeleid. De menselijke geest bracht zo, behalve wiskunde, ook fysica voort. Tegelijkertijd werden kleur, geur, broosheid en alles wat mensen als invloed ervoeren, zintuiglijke kenmerken van het menselijk bewustzijn genoemd en genegeerd: de wiskunde van Descartes wist er geen raad mee.

De ontwikkeling van wiskunde en haar resultaten leidden tezamen tot de noodzaak een corpusculaire theorie te formuleren, waarmee de opbouw en samenstelling van materie werd verklaard. De visie van Descartes op kleinste deeltjes kon de toets der kritiek niet doorstaan. De gedachte dat kleinste deeltjes altijd bestaan en materie vormen als resultante van oneindige dynamiek, werd gezien als verwerping van het uitgangspunt dat er een bovennatuurlijke, niet voor mensen toegankelijke, waarheid bestond: als aantasting van Aristotelisch-Thomistisch denken en daarmee van de autoriteit van de kerk.

Descartes heeft steeds geprobeerd de grenzen gesteld vanuit religieus geordend denken niet te overschrijden. De katholieke geestelijke Pierre Gassend (1592-1655) heeft de religieuze acceptatie van de corpusculaire opbouw van de materie mogelijk gemaakt. Dat deze geestelijke van onbetwiste integriteit zich toelegde op het inpassen van een corpusculaire theorie in de religieuze opvattingen van zijn tijd, is te zien als een blijk van de onweerstaanbare aantrekking tot natuurwetenschappelijk denken. Gassend moderniseerde de opvattingen van Democritus en Epicurus, die als eersten kleinste deeltjes bespraken. Hij zag deeltjes als onzichtbare, extensieloze, mathematisch wel, maar fysisch niet deelbare atomen. Dat maakte ze tot blijvende, niet-veranderlijke, onderling kwalitatief verschillende materie. Hij ondernam een creatieve poging tot verklaren van verschijnselen en vond causale verbanden, maar kon niet verklaren hoe verschijnselen als smaak, geur, warmte en kou ontstaan.Dijksterhuis merkt hierover op: “Natuurlijk wordt er in strikte zin van het woord niets verklaard of begrijpbaar gemaakt. Want óf de eigenschappen die we in het groot aan lichamen waarnemen en die onze causaliteitsbehoefte prikkelen worden vrijwel onveranderd toegeschreven aan de kleine deeltjes die de lichamen constitueren, óf ze worden veroorzaakt gedacht door atoomgroeperingen en atoombewegingen die weliswaar aan zekere door ons ondervonden gewaarwordingen worden toegevoegd, maar die het feit dat een gewaarwording ontstaat en het juist deze gewaarwording is, zo onbegrepen laten als eerst.” (p. 470).

De uitbouw van wiskunde als verklarende theorie, als basis voor het duiden van verschijnselen en het geloof in de allesomvattendheid ervan, stopte pas door het bewijs van de onvolledigheidstelling van Kurt Gödel (in 1931). Vrij vertaald zegt die stelling dat elk formeel systeem tenminste één singulariteit bevat. Die singulariteit is dat het formele systeem geen verklaring kan geven voor het optredende verschijnsel. Formele systemen – hier bedoeld als gedachte systemen – zijn principieel beperkt in hun mogelijkheden om als basis te dienen voor interpretatie van de realiteit.

3.1.3.2 Centraal stellen van de menselijke rede boven natuur en religie: de Verlichting

Wiskundige toepassingen op natuurkundige vraagstukken hebben geleid tot een benadering van de realiteit waarin de menselijke rede dominant werd verklaard aan religie. De Verlichting brak aan, met als kenmerken:Indeling van Störig (1962).

  • Men probeerde religie in overeenstemming te brengen met de menselijke rede: religie zelf op rede te baseren en een redelijke religie te scheppen die het hele gebouw van menselijke kennis kon dragen.
  • Traditionele godsdienst werd bekritiseerd als die niet rijmde met rationele opvattingen.
  • Uit de veranderde waardering van religie volgde de eis van tolerantie. Religie kon minder uitgangspunten opleggen waar de rede die bekritiseerde en arbitreerde.

De dominantie van de rede bracht gedachte ordeningen tot stand waarmee de samenleving kon worden ingericht. De oude inrichting bepaald door aristocratie of kerk werd aangetast. Kritiek op het functioneren van die instituties vond haar hoogtepunt in het werk van Voltaire in de 17e eeuw. In Engeland ontwikkelde Locke in diezelfde periode een maatschappelijke ordening waarin een wetgevende en een uitvoerende macht werd gedefinieerd. Montesquieu vulde die aan met een derde: de rechtsprekende.Eveneens van Störig (1962). In onze tijd is het zinvol Montesquieu eens na te lezen, nu één Europa wordt geconstrueerd. Zo zegt hij: “Staten en wetten zijn niet iets wat willekeurig gemaakt of willekeurig veranderd wordt; zij groeien veeleer uit de natuurlijke en historische voorwaarden, zoals bodem, klimaat, zede, beschaving, religie. De ware wet is die welke het best aan het karakter en aan de geschiedenis van het betreffende volk is aangepast. Er bestaat derhalve geen abstract en overal geldend ideaal of schema van de beste staat.” (p. 96). Het gedachte stelsel dat zo ontstond, gaf mensen de mogelijkheid te bepalen wie en wat mocht domineren. Wij zijn daar in het westen zo mee vertrouwd, dat deze inrichting van de maatschappij een vigerend model is geworden.

3.1.3.3 Wat kun je met de rede verklaren?

Kritiek op de dominantie van de rede bij het inrichten van maatschappelijke stelsels kwam met Rousseau (1712-1778): eigendom verbonden met een maatschappij gestructureerd volgens de rede, was een kwaad op zich. De realiteit zoals die zich natuurlijk ontwikkelt, zou de basis moeten zijn voor de ontwikkeling van een met rede begiftigd individu. Gevoel mocht niet worden genegeerd. In de opvoeding dienden alle aspecten van het menselijk vermogen aandacht te krijgen. Vooringenomenheid vanwege het aanreiken van gedachte stelsels moest in de opvoeding worden tegengegaan, door kinderen eigen gevoelens en mogelijkheden zelf te laten ontdekken.

Kant (1724-1804) vroeg zich af wat mensen kunnen weten. Zijn poging is te zien als laatste fase van de Verlichting. Zijn drie Kritieken tonen wat hij met de rede al dan niet kon verklaren:

In Kritik der reinen Vernunft nam hij verschillende denkbeelden van Aristoteles over. Hij maakte onderscheid tussen Verstand en Vernunft, tussen verstand en rede. Religie, en vooral het bestaan van een God, probeerde hij vanuit de rede te verklaren. Zo probeerde hij een Godsbewijs te geven en kwam tot de conclusie dat dit niet kon. Je moet het aannemen: geloven, of afwijzen: niet geloven. Je kunt niet bewijzen dat een God bestaat. In Kritik der Urteilskraft heeft hij magistraal duidelijk gemaakt in hoeverre de rede het mogelijk maakt uitspraken te doen over persoonlijke ervaringen en in hoeverre die ervaringsuitspraken de grondslag kunnen zijn voor objectivering. In Kritik der praktischen Vernunft stond hij stil bij de rede als grondslag voor oriëntatie waarmee mensen in de wereld staan.

Als je Kant leest, kom je onder de indruk van zijn rede. Ook al zijn zijn kritieken een markering van wat je kunt weten, zijn benadering was rationeel: zijn betoog moest logisch kloppen. De rede was vertrekpunt: van daaruit werd een model gemaakt waarmee de realiteit werd verklaard.

Niet de inhoud van Kants werk is in latere perioden duidelijk terug te vinden, maar zijn benadering van de realiteit vanuit de rede. De vorm die Kant gebruikte handhaafde zich, niet de inhoud. Deze vorm is zichtbaar in het positivisme dat begin 19e eeuw opkwam: je maakt wat je denkt, het gaat zoals je wilt. Het is herkenbaar tot in onze tijd. Een voorbeeld:

De invoering van de euro

Politici en raden van bestuur van grote ondernemingen verdedigden de lancering van de euro vanuit de opvatting dat markten er transparanter door worden; het zou de concurrentie doen toenemen, wat voordeel zou opleveren voor burgers. Het zou internationale transacties goedkoper maken. Politici – Kohl voorop – betoogden: met de invoering van de euro wordt het in Europa lastiger oorlog te voeren.

Afgezien van het feit dat vergroting van concurrentie in Europees verband niet vanzelfsprekend voordeel voor burgers oplevert, speelt dat voor kleine lokale ondernemingen een zeer geringe rol. Daarnaast vinden veel burgers het leuk in andere landen met andere valuta te betalen: het is deel van het vakantie-, reisgevoel. En de bewering dat transacties goedkoper worden is maar beperkt waar: banken laten zich niet snel inkomsten afnemen. Zij voeren nieuwe tarieven in, zodat de financiële voordelen voor burgers ten dele verdampen. Het standpunt van politici en leidinggevenden van grote ondernemingen is niet ingegeven door direct maatschappelijk belang, maar door de gedachte dat wat goed is voor organisaties, vanzelfsprekend goed is voor burgers.

Kortom, er treedt bij invoering van de euro voor burgers reductie van betekenis op: principieel brede en per persoon verschillende betekenissen worden teruggebracht tot een economische interpretatie. Maar een munt is ook een symbool van de groep waarop je betrokken bent en wiens taal je spreekt. Je neemt door invoering van de euro Europese burgers iets af wat voor hen betekenis heeft: de identiteit van een natie in het economisch domein. Het laat twee dingen zien:

  • Dat de huidige leidinggevende elite in Europa de vele betekenissen die burgers aan de relatie betaalmiddel-identiteit geven, niet zo veel gewicht geven dat die binnen het economisch domein moet worden beschermd en gerespecteerd.Kants Kritik der Urteilskraft is nog steeds warm aan te bevelen.
  • Dat het mogelijk is grootschalige veranderingen te bewerkstelligen. Een kroon op het positivisme.

In de 19e eeuw ontstonden allerlei ontworpen ordeningen van waaruit de realiteit werd benaderd. De samenleving veranderde sterk doordat grootschalige industrialisatie op gang kwam. Het leverde niet alleen een nieuwe maatschappelijke rationele ordening op – Webers bureaucratie –, maar ook nieuwe producten en gerationaliseerde omgangsvormen tussen mensen, zoals een functionele verdeling van werk binnen gezinnen en families.Beschreven door Durkheim in De la division du travail social (1893). In de tweede helft van de 20e eeuw raakt die verdeling enigszins op zijn retour. Filosofische ontwikkelingen liepen daaraan parallel.

Kants benadering werd in de 19e eeuw verder uitgebouwd door filosofen als Hegel, de Wiener Kreis en ook Marx. Je kunt zeggen dat de benadering van de realiteit vanuit de rede haar hoogtepunt bereikte in Wittgensteins (1889-1951) Tractatus logico-philosophicus. Hij toonde aan dat als mensen een redenering in elementen ontrafelen, ze aan een talige uiting of logisch element een te klein of onjuist gewicht geven. Anders gezegd: het gewicht dat je geeft aan taal- en logische elementen kan nooit overeenkomen met de realiteit. Er kan nooit een talige benadering gekozen of gevonden worden die een fenomenologie – dat is het beschrijven van het wezen van iets – recht doet. Bij volledig doorgevoerde analyse kan elke redenering worden teruggebracht tot tegenspraken. Wittgenstein liet zien dat taal geweldige beperkingen heeft en je bescheiden moet zijn in het betekenis geven aan talige en logische beweringen.En opnieuw, net als bij Kant, kom je desondanks onder de indruk van de rede van Wittgenstein. Hij kwam geleidelijk tot de conclusie dat de rede geen ordening kan voortbrengen die verklarend kan zijn voor verschijnselen in de realiteit. Dit werkte zo uit dat er wordt gesproken van een Wittgenstein I en II. Wittgenstein I is die van de Tractatus. Wittgenstein II ging in Logische onderzoekingen na wat een regel is, wat een bevel is en hoe het komt dat mensen die volgen. Hij richtte zich niet langer op het ontwerpen van ordeningen volgens de rede, maar op het inzetten van de rede om de logica te begrijpen van wat in wisselwerking met de omgeving ontstaat en betekenis heeft.

3.1.4 De omgeving geeft betekenis

In de loop van de 18e eeuw nam Chevalier de Lamarck afstand van het gesloten systeem van Linnaeus om levende wezens te definiëren en te ordenen. Hij ging er vanuit dat levende wezens zich van binnenuit ontwikkelden als aanpassing aan de omgeving. Biologen, vooral Alfred Russel Wallace (1858), kwamen steeds meer tot het inzicht dat variëteit van leven niet kon worden verklaard vanuit een schepper die juist op die plaats of dat eiland juist die biotopen met hun variëteiten had geplaatst en net niet andere die er zeer op leken. Het inzicht groeide dat variëteit van leven in evolutie tot stand kwam. Charles Darwin, die in 1859 zijn On the origin of species uitbracht, kwam tot de conclusie dat evolutie een proces is van natuurlijke selectie, waarbij alleen levensvormen blijven bestaan die passen in en bij de omgeving.

In The descent of man paste hij dit principe toe op ontstaan en ontwikkeling van de mens. De grens van wat wel en wat niet rationeel kon worden benaderd werd wezenlijk verlegd. Dat was een zware schok, voor velen onaanvaardbaar. Het vormde een aantasting van het Aristotelisch-Thomistisch paradigma.Vanuit die optiek is te begrijpen dat de katholieke kerk de evolutietheorie heeft veroordeeld en als speculatief ter zijde heeft gelegd. Maar de katholieke kerk had deze theorie net zo goed kunnen interpreteren als mechanisme van overdracht van wat in het bovennatuurlijke ontstaat en in het natuurwetenschappelijke beschrijfbaar wordt. Wat Darwin vertelde, was vergelijkbaar met de grensverleggende gedachte van Copernicus dat de aarde niet meer het middelpunt was van het heelal.

Na The descent of man ontstond geweldige verwarring over de betekenis van filosofie. De evolutietheorie liet zien dat de realiteit niet meer gedacht kon worden vanuit een scheppende rede, maar dat de mens en zijn rede ontstaan vanuit en in wisselwerking met de omgeving. Bergson (1859-1941) keerde terug tot de essentiële vragen over een metafysica. Hij onderzocht vragen van ruimte en tijd: in L’évolution créatrice beschouwde hij leven als worden, handelen, actie. Hans Driesch (1867-1941) benaderde leven als iets organisch en als middel voor het geestelijke leven. In Napels voerde hij experimenten uit met zeeëgeleieren, met als resultaat dat uit gesplitste eieren niet gedeeltelijke organismen, maar volwaardige zeeëgels ontstonden. Dat door regeneratie een geheel uit een enkel deel ontstaat, kon niet mechanistisch worden verklaard. Het heeft geleid tot het inzicht dat het geheel op zichzelf staat, dat het in zichzelf een Gestalt vertegenwoordigt, die meer is dan de som der delen. Het onderzoek naar zo’n Gestalt kreeg vorm in de fenomenologie: het benaderen van een wezen op zijn karakteristieken, door het eigen vooroordeel niet mee te laten spelen.Brentano (1838-1917) en Husserl (1859-1938) komen in beeld als grondleggers van de fenomenologie. Dan moet je wel de vraag proberen te beantwoorden hoe een Gestalt kan worden gedacht in wisselwerking met de omgeving. De existentiefilosofie vindt hierin haar basis. Heidegger (1889-1976) probeerde in Sein und Zeit de menselijke existentie vanuit wisselwerking met de omgeving te funderen.Ook Marcel (1889-1973), Sartre (1905-1980) en Jaspers (1883-1969) tekenden voor het gewicht dat in de 20e eeuw aan existentiefilosofie wordt gegeven. Zijn beroemde voorbeeld van de hamer en het beschrijven van de essentie ervan maakt alles in één klap duidelijk:

De hamer van Heidegger

Je kunt een hamer proberen te beschrijven door iets te zeggen over de kop en de steel. Je kunt eindeloos veel verschillende koppen definiëren: naar materiaal, grootte en gewicht. Dit geldt ook voor de steel. Je kunt al die koppen en stelen combineren. Je kunt eindeloos veel verschillende situaties definiëren en voorschriften ontwikkelen in welke situatie je welke hamer moet gebruiken. En in al die gevallen zeg je lang niet zoveel over de hamer ten opzichte van de smid die een hamer pakt en gebruikt. In het gebruik van de hamer in wisselwerking met de omgeving komt de essentie van de hamer tot uitdrukking, niet in het steeds nauwkeuriger specificeren van kenmerken.

Het nieuwe – vooral met Darwin verbonden – inzicht, leidde aan het eind van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw tot zoeken naar een nieuwe metafysica. Alfred North Whitehead, naar voren getreden vanwege zijn aandeel in de Principia Mathematica die hij samen met Bertrand Russell schreef, zag het als taak van filosofen om wetenschappers te wijzen op de realiteitssferen die zij verwaarlozen. Hij nam tegelijkertijd waar dat filosofen daarin niet slaagden. Zijn belangrijkste kritiek: “Hoe moet de filosofie te werk gaan om het geheel der realiteit te omvatten? De tot nu toe voortgebrachte systemen hebben in hoofdzaak bewezen, hoe je niet te werk moet gaan. Het zijn volstrekt mislukte pogingen de realiteit met algemene categorieën als subject en object, substantie, kwaliteit en dergelijke te verklaren.”Störig (1962), p. 91.

Whitehead ondernam een poging te beschrijven hoe een realiteitsbegrip eruit kan zien dat deze zwakheden niet heeft. Hij kwam tot de conclusie dat het iets dynamisch moest zijn, dat in dynamiek bepaald is en betekenis krijgt. Hij noemde het gebeurtenis. De gebeurtenis is vergankelijk en gaat over in volgende gebeurtenissen. Ze is tegelijk onsterfelijk omdat ze in volgende gebeurtenissen doorwerkt. Zo is elke gebeurtenis verbonden met verleden en toekomst, er is geen begrenzing aan haar invloedssfeer. Naast Whitehead is Nicolai von Hartmann te noemen, van wie we in §3.3 zijn ordening in fundamentele categorieën geven.

Het benaderen van verschijnselen in wisselwerking met de omgeving is in de 20e eeuw niet gaan domineren. Wat wel ging domineren, was een vorm van positivisme toegepast op terreinen die, als je Kants Kritik der Urteilskraft zou volgen, daarvoor niet in aanmerking komen: het pragmatisme.

3.2 De grondslagen van pragmatisme

3.2.1 Pragmatisme als vorm om verschijnselen in een conceptie te verbinden

Het pragmatisme werd bekend door de filosoof Charles Sanders Peirce (1839-1914). Hij definieerde pragmatisme aanvankelijk als ‘het uiten van een conceptie die als waarheid moet worden bewezen en geaccepteerd’. Een conceptie is een zich herhalende ordening waarin optredende verschijnselen met elkaar worden verbonden en als een geheel te herkennen zijn. In veel gevallen zal een herhaling een patroon aannemen dat wordt herkend doordat een verschijnsel optreedt waarmee andere verschijnselen te verbinden zijn. Bijvoorbeeld: de brugwachter komt bij de brug aan. Vanaf dat moment is duidelijk dat hij de brug kan openen. Of het verschijnsel ‘Truus komt thuis’, waarmee een reeks verschijnselen wordt ingeluid, verband houdend met Truus en wat ze gewoonlijk doet als ze thuiskomt. De brugwachter en Truus zijn concepties waarin verschijnselen met elkaar zijn verbonden.

Algemeen: het pragmatisme is te gebruiken als er een leidend beginsel is waaraan andere verschijnselen kunnen worden gekoppeld. Zo’n leidend beginsel moet uit alle optredende verschijnselen in de omgeving te verbijzonderen zijn.

Wij staan er niet vaak bij stil hoe we woorden en beelden met elkaar verbinden. Je bent gewend het woord ‘brugwachter’ te verbinden aan iemand die een brug open- en dichtdoet. Het beeld van een specifieke brug of persoon komt lang niet altijd bij je op: het woord is een eigen leven gaan leiden.

Als iemand het woord voor het eerst met een voorstelling verbindt, wordt een reeks verschijnselen geassocieerd met een concrete brugwachter. Hij heeft gezien dat iemand een brug opende en weer dichtdeed en hoorde ‘brugwachter’ als aanduiding voor degene die de handelingen verrichtte. Nadien is het gebruik van het woord ‘brugwachter’ gekoppeld aan een reeks handelingen die leiden tot de bekende verschijnselen van het openen en weer dichtgaan van een brug; niet alleen in de oorspronkelijke zin van het woord, maar ook in overdrachtelijke zin. Hierdoor kun je het begrip gebruiken als metafoor. De essentie van een brugwachter is helpen: iemand die in een bepaalde situatie waakt – wacht – en doorgang verleent. De metafoor is bepaald door die essentie, niet door een specifieke omgeving. Je kunt de metafoor bijvoorbeeld gebruiken als: ik zou willen dat meer politieagenten zich als brugwachter gedragen. Je bedoelt dan dat in sommige verkeerssituaties een politieagent stand by zou moeten zijn om bij opstoppingen in te grijpen en doorgang te verlenen. ‘Brugwachter’ staat dan voor een reeks handelingen die iedereen met dat woord verbindt en die losstaat van een of andere brug. ‘Brugwachter’ is conceptie geworden: een zich herhalende ordening waarin optredende verschijnselen met elkaar worden verbonden en als een geheel te herkennen zijn.

Algemeen: bij een leidend beginsel hoeft geen sprake te zijn van een herhalende ordening, bij een conceptie is dat wel het geval. Een conceptie is een leidend beginsel, maar een leidend beginsel is nog geen conceptie.

In hoofdstuk II is een casus opgenomen over een brugwachter. Dat hij mensen kent, een praatje maakt, de omgeving van de brug beheert met alles wat daaraan gerelateerd is, zien alleen degenen die bij die specifieke brug en die brugwachter de herhaling zien. Dat is voor de eenmalige passant niet weggelegd. Dat ‘alles’ wordt niet door iedereen waargenomen en ook niet opgenomen in de set handelingen die passen bij de conceptie brugwachter. De conceptie ‘brugwachter’ is daarmee vanzelfsprekend pragmatisch: het bevat wat de groep die het woord gebruikt, in herhaling herkent en niet meer dan dat. Als de groep bestaat uit bewoners bij een brug, kan de brugwachter iemand zijn die een brug bedient en kunnen er in dat woord veel meer bij die specifieke situatie passende handelingen en verschijnselen zijn ingesloten. Die inhoud zal anders zijn in een groep die spreekt over brugwachter in het algemeen. Het gebruik van het algemene begrip is losgeraakt van een specifieke situatie en staat voor wat alle brugwachters gemeenschappelijk hebben: dat is het functionele. Daarmee komen we toe aan een verklaring van het begrip functionaliteit: een set wisselwerkingen tussen verschijnselen die met een object in willekeurig welke omgeving verbonden zijn.

Eenzelfde betoog is bijvoorbeeld te houden voor een ‘spoorwegovergangbewaker’: hij sluit bomen en doet ze weer open. Wie voor gesloten bomen staat, weet dat er een trein nadert of net gepasseerd is. Eind 20e eeuw zijn in Nederland de spoorwegovergangbewakers vervangen door geautomatiseerde systemen. Niet alleen is het woord vrijwel verdwenen uit het huidige vocabulaire, maar ook de conceptie van iemand die een spoorwegovergang bewaakt. Hoe zo’n man werkte, hoe zijn huisje eruit zag: voorbij. Jongeren kunnen de conceptie ‘spoorwegovergangbewaker’ kennen uit beschrijvingen, uit ervaringen in landen waar hij nog voorkomt, maar de conceptie is niet meer verifieerbaar met in Nederland optredende verschijnselen. Alleen beschrijvingen uit het verleden maken het mogelijk tot verificatie te komen, met beelden van mensen zoals die spoorwegovergangbewakers hebben ervaren. De conceptie is losgekomen van specifieke omgevingen.

Bij de conceptie ‘brugwachter’ is het nog niet zover dat alle brugwachters zijn vervangen door geautomatiseerde systemen. Maar er zullen mensen zijn die er rekening mee houden dat niet noodzakelijkerwijs een brugwachter in het spel is als een brug open- of dichtgaat. Iemand zal de omstandigheden opmerken waaronder een brugwachter zijn werk doet, of wanneer de brug op afstand wordt bediend: in onoverzichtelijke situaties kom je een brugwachter tegen. De conceptie ‘brugwachter’ zal worden ingekleurd, afhankelijk van de verschijnselen die samen een context vormen.

Verschijnselen kunnen los van elkaar worden waargenomen zonder dat ze betekenis krijgen: een boot vaart onder een brug door, een licht van een brug springt op groen, een man komt aan en zet zijn fiets tegen een huisje naast een brug, een auto staat voor een slagboom. Als ze met elkaar in verband worden gebracht, kunnen ze betekenis krijgen door ervoor, erna of tegelijk optredende verschijnselen als referentie te kiezen. Elk verschijnsel uit die verbonden reeks doet er dan toe, zoals iedereen weet die met een boot vaart of dagelijks een brug overgaat. Als je in een boot voor een brug ligt te wachten en je ziet een man van zijn fiets springen en het brugwachtershuisje binnengaan, dan verwacht je dat de brug weldra zal opengaan. In een conceptie worden verschijnselen met elkaar verbonden en krijgen ze samenhang. Verschijnselen krijgen in een conceptie betekenis, geven elkaar betekenis.

Deze manier van kijken is door Peirce pragmatisme genoemd.Richard Rorty merkte op dat de verdienste van Peirce was een woord te hebben gekoppeld aan een algemeen verschijnsel, maar dat daarmee diens bijdrage ook wel is geschetst. Dat Peirce hiermee tekortgedaan werd, is aan het begin van de 21e eeuw wel duidelijk. Hij verwoordde de essentie van pragmatisme in de loop van zijn leven op verschillende manieren:Er is niet één definitie van pragmatisme te geven. In dit hoofdstuk worden twee definities opgevoerd: voor klassiek en modern pragmatisme.

In 1878 schreef hij: “Consider what effects, which might conceivably have practical bearings, we conceive the object of our conception to have. Then, our conception of these effects is the whole of our conception of the object.”

In 1903 formuleerde hij als volgt: “In order to ascertain the meaning of an intellectual conception one should consider what practical consequences might conceivably result by necessity from the truth of that conception; and the sum of the consequences will constitute the entire meaning of the conception.”

En in 1906: “The whole meaning of an intellectual predicate is that certain kinds of events would happen, once in so often, in the course of experience, under certain sorts of existential conditions.” Hookway (1992), p. 236 e.v.

Wat we hebben opgemerkt over de brugwachter is te relateren aan de eerste twee uitspraken: ‘brugwachter’ is dan een conception waaraan praktische gevolgen zijn verbonden. Zoals we zien, is Peirce’s begrip conception in de tijd veranderd in intellectual predicate. In het vervolg van dit boek zullen we respectievelijk spreken over een conceptie en een bewering.

3.2.2 Klassiek pragmatisme: de overgang van propositie op bewering

Je kunt de uitspraak doen ‘hij is een goed mens’. Zo’n uitspraak noemen we een propositie: een voorstelling die behandeld wordt als een conceptie die voor iemand geldt, maar voor anderen nog niet duidelijk of waarneembaar is. Het verschil tussen een conceptie en een propositie is dat bij een conceptie de praktische gevolgen in de vorm van bekende verschijnselen zullen optreden en voor iedereen direct door eigen waarneming verifieerbaar zijn, terwijl bij een propositie verschijnselen als praktisch gevolg van een uitspraak – de propositie – alleen bij een bepaalde positie kunnen worden waargenomen. ‘Hij is een goed mens’ is een waarneming waaraan iemand vanuit zijn eigen positie bepaalde kenmerken verbindt. Degene die de propositie uit, zal een beeld hebben van zo’n persoon en de daarmee verbonden praktische gevolgen, maar de propositie wordt – of kan – nog niet door anderen worden gedeeld. Wil de propositie worden ervaren en ook mogen worden behandeld als conceptie, dan zal de omgeving de ingesloten praktische gevolgen moeten kunnen ervaren en de erbij passende verschijnselen waarnemen, om de uitspraak te kunnen aanvaarden.

Om een propositie te kunnen uiten over een verschijnsel dat in de toekomst zal optreden, zal degene die de propositie uit een vertrekpunt kiezen. Dat vertrekpunt noemen wij primair verschijnsel. Dat primaire verschijnsel zal dan geleidelijk – stadiumgewijs – evolueren tot het verschijnsel dat in de propositie wordt geuit. Het is mogelijk dat een opponent daar een ander primair verschijnsel tegenover zet en laat zien dat de evolutie van dat verschijnsel zal domineren en tot iets anders leidt. Beide personen kunnen claimen dat wat zij uiten de waarheid is. Wie gelijk krijgt, zal in een toekomst blijken.

Een propositie gaat over in een bewering als een uitspraak de vorm aanneemt van bijvoorbeeld ‘dit systeem gaat goed werken’. De evolutie van een primair verschijnsel tot een goed werkend systeem wordt dan als het ware genegeerd of als vanzelfsprekend verondersteld. De praktische gevolgen bij de uitspraak ‘dit systeem gaat goed werken’ zijn dan dat je bepaalt wat het systeem moet doen, welke eisen er aan omgeving en mensen moeten worden gesteld en bij welke criteria je vindt dat het systeem goed werkt. Het zijn condities die je inricht waaronder je de uitspraak doet dat het systeem zal werken. Ook hier geldt dat de uiteindelijke onderbouwing in de tijd ontstaat, doordat optredende praktische gevolgen de propositie funderen. Gaat het zoals gedacht, dan zal de bewering worden aanvaard. De essentie is dat de bewering zich bewijst in ingerichte omstandigheden, dat wil zeggen bij experiment in een ingerichte omgeving. Een bewering is dus: een propositie die zich onder ingerichte omstandigheden in de loop van de tijd moet bewijzen.Een concept wordt gerealiseerd en een bewering moet zich bewijzen.

Een propositie is voor ons een betrouwbare uitspraak over verschijnselen in de toekomst, als de evolutie die we in en met de propositie verbinden ook daadwerkelijk en verifieerbaar optreedt. Om een propositie te kunnen verifiëren is degene die de propositie uit, verplicht zich in het openbaar te verantwoorden: iemand staat ervoor dat de met de propositie verbonden verschijnselen ook zullen optreden en zal anderen zoveel tijd geven dat zij de voorspelde verschijnselen kunnen waarnemen. Hij of zij zal de sociale straf die hoort bij onware proposities moeten accepteren: verlies van aanzien en respect. Deze conclusie is van groot praktisch belang. Als je een propositie uit, moet je accepteren dat het enige tijd duurt eer anderen jouw propositie (kunnen) delen. Als de propositie onmiddellijk gedeeld of onderschreven wordt, moet je je afvragen of je wel iets wezenlijks toevoegt, of wat je bijdraagt niet meer is dan een verwoording van wat men al weet. Dus: als een propositie betwist wordt, er discussie ontstaat, wil dat zeggen dat je iets toevoegt wat nog niet gedeeld wordt. Er ontstaat altijd discussie als je een propositie uit die gebaseerd is op een ander paradigma dan dat van de toehoorder. Je kunt je dan afvragen of je de propositie niet moet voorleggen aan mensen die met jou hetzelfde paradigma delen, om na te gaan of jouw propositie waarheidsgehalte heeft.

Een belangrijke toepassing van proposities is terug te vinden in de vorm van parlementaire democratie. Nederlandse parlementaire instituties ontstonden in de 19e eeuw, in Groot-Brittannië al eerder. Het pragmatisme van Peirce heerste: je uitte een propositie en die moest zich in de tijd bewijzen. Je deed de uitspraak binnen jouw conceptie bij jouw keuze van een primair verschijnsel, zodat de propositie vooral door degenen die jouw conceptie deelden gevolgd kon worden, ook al zouden zij van een ander primair verschijnsel zijn uitgegaan. Wie een andere conceptie aanhing, zou alleen volgen als de propositie erin paste. Bleek een propositie waar te worden dan zouden allen deze in de eigen conceptie inpassen.

Je kunt concluderen dat parlementaire structuren passen bij een toestand waarin een politicus zijn propositie publiekelijk vanuit zijn conceptie verdedigt. De parlementaire democratie is erop ingericht dat alle partijen argumenten geven om proposities zo volledig mogelijk – met alle praktische gevolgen – tot uiting te brengen. De oppositie moet er met name voor zorgen dat de nadelen naast de voordelen worden gezet en de propositie wordt gewogen tegen het licht van alle heersende concepties. De bevolking krijgt zo de mogelijkheid om tot een oordeel te komen dat op volledigheid is gebaseerd. Parlementariërs luisteren voortdurend naar de bevolking om de weging van argumenten te beoordelen. De bevolking beweegt in de richting van een propositie of juist niet. Een propositie wordt in de loop van de tijd bewezen door wat ontstaat.Kwaliteitsverlies in een parlementaire democratie ontstaat als de oppositie er niet in slaagt nadelige verschijnselen te benoemen en voor het voetlicht te brengen. Een voorbeeld van zulk verlies van kwaliteit was te herkennen in de parlementaire oppositie ten tijde van de paarse kabinetten.

De hier besproken vorm van pragmatisme – uiten van proposities en het verifiëren van de praktische gevolgen door waar te nemen of te ervaren dat de ermee verbonden verschijnselen optreden – is in elke cultuur terug te vinden. We noemen het klassiek pragmatisme.

Het is voor mensen moeilijk anders dan zo met verschijnselen in de realiteit om te gaan: ze zoeken naar zich herhalende ritmen, ordeningen of structuren die stabiliteit geven in de ononderbroken verandering die we realiteit noemen. De bekendste propositie die wij kennen is: ‘elke dag gaat de zon op en onder’. Ze is zo zeker dat we haar ervaren als feit in plaats van propositie. In heel veel gevallen gaan we met proposities om als waren ze de opkomst en ondergang van de zon. Bijvoorbeeld: lijn 9 gaat altijd door de Beethovenstraat. We weten wel beter (de straat kan opgebroken zijn, de buschauffeur heeft er plots geen zin meer in, de bus gaat slechts in één richting door de Beethovenstraat, er is een nieuw dienstrooster). Maar zolang het gaat zoals het gaat, is de propositie geldig. De propositie: ‘de treinen rijden in ons land op tijd’, zal in onze tijd niet meer worden gedeeld. De Nederlandse Spoorwegen zijn er dan op gericht die propositie weer waar te maken. Voor de NS-directie is het geen propositie, maar een bewering. Zij moeten de omstandigheden zo inrichten dat de propositie voor de reiziger weer waar wordt.

De uitspraak ‘elke dag gaat de zon op en onder’, die we als feit ervaren, is als wetmatigheid vastgelegd. We noemen het de wet van volledige inductie. Als een verschijnsel één keer optreedt en we zien het de ke keer optreden – waarbij k elk willekeurig getal voorstelt – en we kunnen ervan uitgaan dat het ook de (k+1)ste keer optreedt, dan mogen we ervan uitgaan dat het verschijnsel altijd zal optreden. Deze wet is de wiskundige formulering van onze omgang met zich herhalende verschijnselen in het dagelijks leven.

We kunnen nu wetenschap duiden: wetenschap probeert patronen en vervolgens primaire verschijnselen te ontdekken en de ermee verbonden condities vast te stellen. De patronen worden eerst geuit als proposities met de erbij horende gevolgen. De wetenschapper verdicht proposities tot hypotheses: gesloten ordeningen in de vorm van te bewijzen stellingen. Dan volgt een proces van verificatie om na te gaan of de hypotheses te falsificeren zijn. Wetenschap is erop gericht via strak omschreven wetten van logica tot de conclusie te komen dat men een ware uitspraak – een juiste propositie – doet, of dat een propositie gefalsificeerd kan worden en dus niet waar blijkt. Het formuleren van proposities als hypotheses om vervolgens te proberen die hypotheses te falsificeren is een poging deze vorm van pragmatisme strak methodisch te funderen en toe te passen.Kern is dat in de wetenschap een uitspraak alleen waar is als ze bij gelijke omstandigheden opgaat. Het uitgangspunt ceteris paribus is alleen mogelijk als de realiteit statisch zou zijn, of als je in de realiteit van geval tot geval negeert wat je geen betekenis wilt of kunt geven. Het uitgangspunt ceteris paribus dat beleidsmakers hanteren als referentie waartegen nieuw beleid wordt afgezet, is dus praktisch zinledig. Het is een model van de realiteit dat al niet meer bestaat op het moment dat het wordt gebruikt.

Zodra onderzoek methodisch wordt, is het mogelijk na te gaan onder welke omstandigheden proposities wel of niet waar zijn. Of een propositie dan nog betekenis heeft in natuurlijke omstandigheden wordt ondergeschikt aan de vraag of men omstandigheden kan scheppen waarin de propositie waar is. De propositie gaat over in een bewering: je maakt geen verschil meer tussen natuurlijke en ingerichte omstandigheden. Het scheppen van omstandigheden waarin je gestelde doelen realiseert, wordt dan wetenschap.

Wetenschap en construeren komen in elkaars verlengde te liggen, waarbij inrichten van omstandigheden tot doel verheven is; universiteiten worden opleidingsinstituten voor construeren. Deze benadering domineert inmiddels het westers universitaire klimaat. Het feit dat wetenschap op die manier vervreemd raakt van de leefwereld van mensen en zich toelegt op het inrichten van omstandigheden en niet op wat mensen ervaren, is in de westerse wereld inmiddels duidelijk waarneembaar. Veelzeggend zijn de voorgenomen en hier en daar uitgevoerde fusies tussen opleidingen voor construeren bij uitstek – de HBO-instellingen – en universiteiten in Nederland.

Peirce formuleerde het begrip intellectual predicate – in het Nederlands spreken wij over ‘bewering’ – in 1906. Er was toen veel beweging op het vlak van pragmatisme. De bewering van Peirce blijkt te staan voor antwoord op ‘construerende proposities’ in discussies over pragmatisme. Het is echt wat anders dan een propositie. Een propositie wordt in evolutie bewezen. Een bewering wordt door het inrichten van omstandigheden gerealiseerd. Hier volgen drie voorbeelden, maar je kunt moeiteloos elke dag voorbeelden in de krant lezen, de effecten ervaren in je eigen omgeving en ze in taalgebruik waarnemen.

De effectenbeurs

De effectenbeurs ontstond in een tijd dat de waarde van een aandeel gebaseerd was op een propositie. De waarde werd in de loop van de tijd bepaald als afspiegeling van de prestaties van de betreffende onderneming. De propositie van de leiding van het bedrijf dat de verwachtingen goed waren, moest worden onderbouwd door herkenbaar optredende feiten. Wie de propositie geloofde, kocht. Als de resultaten optraden en de koers steeg, zag hij tot zijn genoegen dat zijn geloof werd gehonoreerd.

In onze tijd zijn proposities vervangen door beweringen. De kernvraag is dan of het management genoeg macht heeft om de omstandigheden in te richten waaronder zo’n bewering waarheid wordt. Als in de publiciteit het beeld ontstaat dat die macht ontbreekt, dan daalt het aandeel, ook al wijzen de feiten in een andere richting. In reclame draait het steeds vaker om managers en hun macht kwesties te regelen, niet om wat hun bedrijf te bieden heeft. Hun vermogen tot construeren wordt in reclames getoond. Voor organisaties die als monopolist naar de beurs gaan, is het dan belangrijk zich te presenteren als macht die men vertrouwt en honoreert door aandelen aan te schaffen. Reclame is er in zulke gevallen niet op gericht om mensen te verleiden producten of diensten af te nemen, maar juist om hen aandelen te laten kopen.

Beursanalisten maken onderscheid tussen korte en lange termijn. Zo zei een analist begin juni 2001 op televisie over het aandeel KPN dat hij ‘voor de korte termijn adviseerde tot verkoop en op de lange termijn tot koop’. Volgens een benadering vanuit een bewering kon hij niet zeggen dat het bedrijf gezond was: het management kan de omstandigheden niet snel naar zijn hand te zetten. Maar vanuit een propositie dat het bedrijf gezond is en dat dit op termijn uit de resultaten zal blijken, ziet het er volstrekt anders uit.

De machtsverdeling tussen en handelswijze van bestuurders en managers

Is een organisatievorm een omhulsel voor een groep mensen die geacht worden activiteiten in wisselwerking met de omgeving naar die vorm in te richten, of is het een structuur die het mogelijk maakt omstandigheden in te richten? Dat verschil is goed te herkennen in het beleid van westerse regeringen en overheden die zij aansturen.

Als een overheid meent dat de bewering leidend is, zal ze organisatievormen kiezen die de macht tot construeren vergroten. Dan ontstaan commissies van mensen uit het bedrijfsleven die met voorstellen komen voor organisatievormen waarin het management meer macht krijgt, want het management construeert omstandigheden waaronder de doelstelling van de organisatie wordt gerealiseerd. Veel wetenschappers staan daar tegenwoordig ook en zijn graag bereid zo’n benaderingswijze te onderbouwen. Deze benadering was bijvoorbeeld te herkennen bij de commissie Dekker over de gezondheidszorg, de commissie Wijffels met voorstellen voor verzelfstandiging van de NS. Hun voorstellen worden verdedigd met de opmerking dat systemen beter moeten worden ingericht en dat het management daarvoor meer macht moet krijgen. De regering-Blair in Groot-Brittannië zweert bij die benadering, vooral zichtbaar in onderwijs en gezondheidszorg, en het paarse kabinet en premier Kok waren daarin ook te herkennen. De algemene lijn is: meer macht voor managers, die systemen beter moeten kunnen inrichten. Hierbij past dat leiders van de organisatie beloond worden voor de behaalde resultaten, want dat is dan hun verdienste. In die opvatting worden managers door optieregelingen in het kamp van de aandeelhouder geplaatst. De overheid geeft financiële straffen, omdat ze op haar beurt ook vanuit een bewering werkt en dus ook resultaat construeert. Zo gaf minister Netelenbos boetes aan de NS en daarmee bevestigde ze waar ze stond, namelijk in dezelfde manier van betekenis geven als de directie van de NS, die volgens haar niet goed leiding geeft. Toen toenmalig premier Kok zei dat sommige optieregelingen exhibitionistisch zijn, legde hij niet het verband met zijn eigen bestuurlijk paradigma waarbij die optieregelingen passen.Hij beoordeelde hun gedrag aan waarden die hij hanteerde, niet aan het paradigma dat zijn regeringen domineerde: het uitdrukken van betekenis in economische termen. Helaas zien veel leden van de Tweede Kamer het ook niet. Gebruik van de propositie waarop democratische organen zijn gebaseerd, is vervangen door het gebruik van de bewering.

Als een organisatie in wisselwerking met de omgeving haar missiestatement wil realiseren, is een missiestatement een propositie die steeds opnieuw moet worden waargemaakt, kan veranderen, zich in de tijd moet aanpassen. Centraal staat dan de herkenning hoe omstandigheden veranderen en hoe organisaties zich in wisselwerking aanpassen. De leiding accepteert dat de organisatie in een veranderende wereld staat en dat ze de omstandigheden niet zover kan beïnvloeden, dat ze haar eigen doelen kan realiseren door construeren van omstandigheden. Die benaderingswijze is intrinsiek verbonden met besturen. Als de leiding van een organisatie meent dat ze het missiestatement door construeren kan realiseren, benadert ze de organisatie als een bewering. De machtsstrijd tussen bestuurders en managers is gebaseerd op de dominantie van propositie of bewering.Je ziet dat bestuurders in de afgelopen 25 jaar zijn opgeschoven in de richting van gebruik van beweringen. Het kan dan niet verbazen dat hun bestaansrecht in en bijdrage aan een organisatie steeds minder relevant worden.

Taalgebruik dat met propositie en bewering associeert

De uitspraak: ‘de vacht van ijsberen bestaat uit holle haren, die het mogelijk maken dat ze in het koude noorden kunnen overleven’ is een bewezen propositie. De holle haren zijn ontstaan, het dier leeft daar en heeft zich in wisselwerking met de omgeving kunnen ontwikkelen tot wat het nu is.

Hetzelfde voorbeeld nu in termen van een bewering: ‘de ijsbeer maakt holle haren in zijn vacht waardoor hij in het hoge noorden kan overleven’.Kwam voor in een televisie-uitzending over ijsberen van de EO, op zaterdag 13 februari 1999. Als je deze tekst leest, zou een ijsbeer ook anders kunnen beslissen, bijvoorbeeld dat hij geen holle haren laat groeien. Een ijsbeer heeft dan een concept bedacht en maakt dat. Hij kan kennelijk ook iets anders besluiten: als hij zou willen, zou hij ook rond de evenaar kunnen leven.

In het dagelijks leven ervaren we allerlei situaties als onbevredigend, maar we weten vaak niet goed waarin dat zit. In veel gevallen blijkt er sprake te zijn van het gebruik van begrippen verbonden met een bewering, waar een propositie meer op haar plaats zou zijn. Taalgebruik dat bijvoorbeeld opvalt:

  • Weervoorspellers: “Het plan is dat het weer zich als volgt zal ontwikkelen.”
  • Journalisten: Een leidinggevende maakt een resultaat.

Toen studenten mij vroegen het verschil tussen een bewering en propositie te verduidelijken, vroeg ik hun: “Neem Johan Cruyff en Louis van Gaal. Beiden zijn voetbaltrainer. De een gebruikt bewering, de ander propositie. Wie gebruikt wat?” Het antwoord kwam prompt.

3.2.3 Modern pragmatisme: je blijft bewegen en realiseert je eigen ideeën

William James (1842-1910) – van oorsprong psycholoog – nam het begrip ‘pragmatisme’ van Peirce over en introduceerde een nieuwe vorm: pragmatisme als een geestelijke instelling. Je richt je niet op ‘eerste dingen’ – principes, bronnen, vermeende noodzakelijkheden – maar op ‘laatste dingen’ – resultaten, gevolgen en feiten –. Waar is wat door praktische gevolgen wordt aangetoond. Waarheid wordt bepaald door criteria zoals waarde, nut en succes. Nut en succes kunnen en mogen in economische termen worden uitgedrukt. Volgens James kon waarde worden uitgedrukt in gevoelens en dingen die je prettig vindt.Volgens Peirce valt men bij dit soort beschouwingen ten prooi aan subjectivisme en relativisme; voor hem moest een waarde toetsbaar zijn in het publieke. Hij vroeg niet naar de oorsprong van een verschijnsel, maar naar de toekomst. Hij concentreerde zich op het tegenwoordige en op wat we praktisch noemen. In filosofisch opzicht betekent zijn opvatting dat niet de vraag moet worden voorgelegd of iets logisch is of waar, maar wat de praktische toepassing van een filosofie voor ons leven betekent. Andere kenmerken van het pragmatisme van James zijn:

  • de wereld is niet en nooit af;
  • de wereld kan niet uit één beginsel worden verklaard;
  • er is niet één waarheid.

John Dewey (1859-1952) heeft de benadering van James als een bevrijding ervaren. Je mocht bij James uitgaan van wat je zelf belangrijk vindt. Dat gaf ruimte om je eigen visie te kunnen volgen. Dewey vond echter dat James te weinig recht deed aan wat naar zijn mening essentieel was.Dewey heeft erg veel gepubliceerd. Zie o.a. Biestra (1992) of Bor en Petersma (1995). Hij dacht als volgt: mensen staan in wisselwerking met hun omgeving. In die wisselwerking ontstaan voortdurend spanningen tussen wat ze doen en kennelijk ‘zouden moeten doen’, gegeven de situatie waarin ze staan.Het begrip ‘willen’ past hier niet, omdat het juist erom gaat of en hoe iemand wisselwerking met zijn omgeving uitleest. Wel is het denkbaar dat er spanning is als iemand iets wil dat duidelijk niet past in wisselwerking met de omgeving. Om die spanning te verminderen, moeten ze proberen oorzaken van die spanning te begrijpen en zich zo gaan gedragen dat ze weer passen in en een geheel vormen met de situatie waarin ze staan. Ze zullen hun rationaliteit gebruiken om te beoordelen wat ze in hun wijze van doen zouden moeten veranderen.

Om zelf te weten wat je wilt en hoe je ervaart, moet je in je opvoeding zoveel mogelijk ruimte krijgen om in jezelf te ontdekken wat voor jou van betekenis is en hoe dat in wisselwerking met de omgeving ontstaat. Volwassenen die normen of ideeën opleggen, ontnemen jou die ruimte. Hij was daar op tegen.

Groei en ontwikkeling zijn sleutelwoorden voor Dewey. Als probleem van zijn tijd zag hij rationaliteit die wisselwerking reduceerde en abstracte modellen oplegde, die mensen onttrokken aan de wisselwerking waarin ze stonden. Hij beschouwde natuurfilosofie als animator van deze benadering, die volgens hem was doorgeschoten en haar plaats moest worden gewezen.

Bij Dewey speelde communicatie een grote rol. Hij maakte onderscheid tussen betekenis die niet-communiceerbaar is, die een levende entiteit overkomt, ondergaat, en betekenis die via symbolen gecommuniceerd kan worden. Begrippen waarover mensen beschikken komen niet ineens tot stand, maar ontstaan evolutionair. Kennis stond bij Dewey in dienst van handelen; kennis is zelf een vorm van handelen die wordt gebruikt om spanningen tussen mensen en hun omgeving te reduceren. Modellen zijn vormen van kennis die handelen grondvesten. Ze zijn heel nuttig, maar pas in de toepassing van kennis: in het doen moet die kennis elke keer opnieuw haar waarde bewijzen. Kennis moet concreet vertaald en ervaren kunnen worden als bijdrage in coördinatie van handelen in wisselwerking met de omgeving. Alle kennis krijgt haar betekenis in ‘ervaren’.Dewey wilde graag termen gebruiken die zijn manier van kijken voor anderen toegankelijk maakten. Het begrip ‘ervaren’ zoals hij het gebruikte, is niet een precieze weergave van wat hij bedoelde, maar hij had geen beter begrip tot zijn beschikking. Je kunt het woord ‘ervaren’ wellicht omschrijven als: het besef dat je door gebruik van kennis iets voor elkaar krijgt wat je zonder die kennis niet lukt.

Hoewel Dewey vond dat de invloed van natuurfilosofie was doorgeschoten en hij dat als belemmering zag voor mensen om in wisselwerking met de omgeving te staan, is het opmerkelijk dat hij de menselijke rede zo liet domineren. Waarheid kreeg bij hem een praktisch en instrumenteel karakter: alleen datgene was waar, wat als helpend ervaren werd bij het in wisselwerking staan met de omgeving. Emoties waren er wel, maar speelden geen rol in de realisatie van wat mensen wilden bereiken: ze konden hinderen in wisselwerking met de omgeving. Emotie werd als autonome factor in wisselwerking met de omgeving weggesaneerd. Dewey nam daarmee grote afstand van James. De invloed van Dewey op onze tijd is groot geweest.

De combinatie van James’ en Dewey’s inzichten leidt tot een vorm van pragmatisme die we modern zullen noemen. Modern pragmatisme is te herkennen als:

  • Je mag van jezelf uitgaan en van wat jij belangrijk vindt.
  • Je moet proberen te begrijpen waar spanning uit voortkomt en nagaan of je wisselwerking met de omgeving anders kunt benaderen om tot andere opstellingen te komen die spanning reduceren. Je gebruikt daarbij wat je geschikt lijkt. Je mag en kunt anderen benaderen als instrumenten om dat doel te bereiken. Alleen de uitkomst – het concrete resultaat – telt. Iemand anders neemt zo’n benadering waar als een bewering: je construeert omstandigheden waarin spanningen niet meer optreden.
  • Je mag in de omgang met anderen niet emotioneel zijn. Emotionaliteit hindert bij het begrijpen van wisselwerking met de omgeving. Je moet blijven communiceren, mag niet domineren of jezelf opdringen.
  • Wat jijzelf en anderen in het verleden hebben ervaren of welke theorieën zij hebben ontwikkeld over ontstaan en groei, spelen alleen mee voor zover blijkt dat ze praktische resultaten opleveren. Gebeurt dat niet, dan zijn ze niet langer van waarde. Je kunt en mag steeds opnieuw beginnen.

Hieruit blijkt een groot verschil met klassiek pragmatisme. In dat pragmatisme moet degene die een propositie uit, deze verdedigen en kan het publiek beoordelen of de propositie bewaarheid wordt. Van het publiek wordt niet verlangd direct bij te dragen aan het verdedigen ervan. Als het publiek de propositie accepteert, zal het ernaar handelen en zal een toestand ontstaan waarin de propositie als vanzelf wordt bewezen. Is dat het geval, dan stijgt het prestige voor degene die de propositie heeft geuit. Zo niet, dan gebeurt het tegenovergestelde.

In modern pragmatisme bedenk je iets en je schept omstandigheden om het te realiseren. Het is een bewering. Anderen worden uitgenodigd bij te dragen aan realisatie ervan en helpen zo de bewering te bewijzen. Degene die de bewering uit, hoeft zich niet te verdedigen, maar neemt afscheid van anderen als ze geen bijdrage meer leveren. Anderen nemen afscheid van degene die hen heeft gevraagd, als hun bijdrage henzelf niet meer helpt.

Modern pragmatisme krijgt vorm door voortdurend bewegen, niet emotioneel zijn, steeds opnieuw beginnen, creatief zijn. Het leidt ook tot paradoxen en is daaraan herkenbaar. De belangrijkste paradox is dat emoties er voor mensen toe blijken te doen, terwijl de moderne pragmatist emotie bij de behandeling van onderwerpen ontkent. Dat leidt tot uitspraken over emotie, zonder dat die uitspraken betekenis krijgen bij organiseren of bij oplossen van problemen. Het ziet eruit als het ontbreken van betrokkenheid, als het uiten van modelmatige uitspraken over wat er voor mensen toe doet, zonder dat dit bij en in organiseren tot uitdrukking komt. Je ervaart dat als: politici en managers zijn dubbel. Ze zeggen iets totaal anders dan uit hun eigen handelen blijkt.

Verschil tussen klassiek en modern pragmatisme is inmiddels te herkennen als lagen in de samenleving: mensen aan de voet van de samenleving staan in klassiek pragmatisme, leiders van organisaties staan in modern pragmatisme. Er heeft zich een spagaat gevormd: aan de voet van de samenleving wordt het verlies van evolutie, verlies van gewicht van proposities ervaren. Een organiserende elite daarentegen wil condities inrichten waaronder de samenleving zich moet ontwikkelen in een door hen gewenste richting.

3.3 Stadiumgewijze evolutie

3.3.1 Sensibiliteit: zich bewust zijn van verschijnselen die in een omgeving verschil maken

De essentie van modern pragmatisme zoals hiervoor beschreven, leidt ertoe dat je alleen gewicht geeft wat je vanuit jezelf betekenis kunt geven en rationeel behandelt. Menselijke emoties en het ontstaan van verschijnselen in de natuur worden niet ontkend, maar krijgen geen betekenis: je kunt er rationeel niks mee. Als iemand tegen een modern pragmatist zegt dat hij teveel negeert, zal die antwoorden: “Hoe kom je daar nou bij? Ik negeer niks, alleen kan ik er niks mee en jij kunt er ook niets mee.” De ander zal antwoorden: “Maar dat is het nou juist, je wilt steeds iets. Je kunt niet accepteren dat verschijnselen ontstaan, die juist in hun ontstaan laten zien dat er een toestand is die buiten jouw rationaliteit ligt. Juist dat optreden van verschijnselen waarmee jij geen raad weet, laat zien dat er verschijnselen zijn waar jouw rationaliteit geen toegang toe heeft.” De modern pragmatist zal je dan aankijken en zijn schouders ophalen: “Geef eens een voorbeeld.” Je geeft dan een voorbeeld en de modern pragmatist zal opnieuw z’n schouders ophalen. Hoe ziet dat eruit?

Discussie met een modern pragmatist

In een voordracht over ontwikkelingen in organisaties voor de welzijnssector vertelde ik dat informatiesystemen in het bankbedrijf zo dominant zijn geworden, dat medewerkers en managers vanuit systemen zijn gaan denken: de data over een klant in systemen ‘zijn de klant’ en niet de persoon die voor de balie staat. Ik vertelde dat je dit verschijnsel in allerlei organisaties tegenkomt.

Bij bediening die op maat gesneden is, uitgaand van de klant als persoon en zijn of haar context, moeten medewerkers zich kunnen verbinden met die persoon, in die ander geïnteresseerd zijn. Medewerkers moeten dan worden beoordeeld op hun vermogen hun eigen mogelijkheden te verbinden met die klant. De manager moet zodanig helpen en voorwaarden scheppen zodat medewerkers dat ook kunnen. De manager kan niet zeggen wat medewerkers in een specifieke situatie moeten doen, omdat hij dan het eigen vermogen van die medewerkers om zich met klanten te verbinden vervangt door regels of bevelen die ze moeten uitvoeren. Regels en bevelen worden dan maatgevend, niet de context van de klant. Om zo te kunnen managen moet de manager zich verbonden voelen met medewerkers en processen aan de voet van de organisatie, niet met de top.

Ik schetste hoe management-, bedrijfs- en bestuurskunde-opleidingen er in het algemeen uitzien: instrumenteel, gedacht in structuur, die verbonden is met de top van organisaties, geen empathie met medewerkers of klanten. Die opleidingen zijn gebaseerd op industriële modellen, waarin organisaties producten en diensten bedenken die ze aan de man brengen. Alles en iedereen wordt gebruikt om doelen te bereiken. Bij zo’n benadering van organiseren is het onmogelijk dat medewerkers ruimte hebben om hun competenties te laten zien en tot gelding te brengen. Ik koppelde dat aan kwaliteitsverlies in allerlei maatschappelijke sectoren, waar het juist draait om het vermogen van medewerkers naar bevind van zaken te handelen. Ik noemde accountmanagers bij banken, politieagenten met burgers, verplegend personeel met patiënten, lieden die creatief moeten zijn zoals programmamakers, vormgevers, ontwerpers. Ik schetste mijn beeld van de welzijnssector en hoe het erop lijkt dat in die sector dezelfde ruwe benadering wordt ingevoerd. Mijn gehoor knikte daarbij instemmend.

De manager na mij was een modern pragmatist. Hij vertelde dat hij het geheel met mij eens was. Daarom hadden ze een programma opgesteld waarbij medewerkers werd geleerd proactief en dynamisch te zijn, in wisselwerking met de omgeving te staan. Er werden opleidingen gegeven om de medewerkers zo te leren werken. Ze moesten ondernemend zijn en willen dat ze op resultaat werden afgerekend. Ze moesten opschrijven wat ze hadden gedaan, zodat afrekenen mogelijk werd. Ik vroeg hem bij interruptie naar het type afrekening. Hij zei dat afgerekend moest worden op financieel resultaat. Naderhand bleek hij meetbaarheid in directe zin te bedoelen: getallen die direct of indirect in geld zijn uit te drukken.

In de discussie daarna werd duidelijk dat hij weliswaar zei het volledig met mij eens te zijn, maar het tegenovergestelde deed van wat ik had betoogd. Toen ik dat constateerde, keek hij mij niet begrijpend aan. Een toehoorder zei dat die manager ruimte gaf, wat betekende dat de medewerker het kennelijk niet had; dat in die sector de geholpene – degene op wie de organisatie zich richt – betekenis zou moeten geven. Medewerkers zouden dat heel belangrijk moeten vinden en dat zou hen moeten motiveren, en niet de manager die hen afrekent. De manager moet zorgen voor financiële inkomsten, maar daarmee moet hij medewerkers die zo in de wereld staan niet, of zo min mogelijk, belasten. Zo’n manager moet wel in staat zijn te constateren of zulke medewerkers door klanten worden geëxploiteerd. Dat ziet hij door zelf met medewerkers en klanten verbindingen te onderhouden en dat blijkt uit het al of niet betalen van de rekeningen. De dienst mag duurder zijn, je biedt ook meer. Je levert wat in elk geval niet met een productbenadering leverbaar is. Een resultaat kan niet direct aan één keer bedienen worden opgehangen; de kosten van bediening en de opbrengsten ervan staan niet één op één met elkaar in verband. Betalen wil zeggen dat de geholpene de hulp wil continueren. Wie iemand anders vanuit context bedient en dat wil tonen, kan dat alleen in een langdurige relatie. De manager moet herkennen dat in wisselwerking tussen medewerker en geholpene betekenis ontstaat en dat hij slechts de voorwaarden daarvoor kan construeren. Vertrekpunt is dat hij de medewerker moet vertrouwen en helpen en moet kunnen waarnemen hoe betekenis ontstaat voor degenen die geholpen worden.

De discussie werd feller. De manager antwoordde dat hij zijn medewerkers natuurlijk vertrouwde: hoe konden we dat in twijfel trekken! Op een vraag hoe zijn hulp eruit zag, gaf hij wederom als antwoord dat hij opleidingen organiseerde om te leren proactief en dynamisch te zijn. Iemand vroeg hem of je op die manier kunt leren op klanten betrokken te zijn, of dat je betrokken bent. Of leren niet bestaat uit herontdekken hoe belangrijk betrokkenheid op een ander is, hoe je leert te herkennen wat voor anderen betekenis heeft, welke mensen wel en welke niet op elkaar betrokken zijn. Je bent dan niet proactief vanuit jezelf, maar omdat je ziet en onderkent dat die anderen juist jouw hulp kunnen gebruiken. De manager moet dan wel op zijn eigen waarneming vertrouwen dat er iets van betekenis ontstaat tussen medewerkers en degenen die geholpen worden. Hij heeft dan immers geen verslag nodig van wat iemand doet; geen meetpunten behalve het resultaat, dat je toch ziet en concreet tot uitdrukking komt in zaken als betalen. Juist de manager moet naar een cursus, waarin geleerd wordt te herkennen wat voor anderen betekenis heeft.

De discussie werd persoonlijk en dat wordt in onze cultuur als ongepast ervaren. Het is een belediging als je het paradigma van de ander blootlegt of expliciteren wil. Een aantal mensen in de zaal reageerde dan ook negatief: zulke opmerkingen maak je niet.

De communicatie was geblokkeerd. In de zaal zag je een verdeling ontstaan: mensen die deze manier van managen herkenden en er de nadelen van zagen en anderen die instemden met de manager en niet zagen hoe zo’n andere benadering van medewerkers werken kon. Daarnaast was er een groep ontstaan die niet meer met deze vragen bezig was, maar met het feit dat de sfeer was aangetast. Zodra zo’n toestand ontstaat, stagneert elke ontwikkeling.

Na afloop had ik apart contact met de manager. Hij zei verder te willen praten, want hij wilde het wel begrijpen en weten of en hoe hij anders zou kunnen werken. Of ik wilde helpen. Zo gaat het vrijwel altijd bij managers die betrokken zijn op hun organisatie. Als die manager met zichzelf en zijn eigen campagne bezig zou zijn, zocht hij een andere werkomgeving voordat iedereen zou zien dat hij ineffectief is of het snel zal worden.

Het heeft geen zin een discussie door te zetten als er eenmaal in een gezelschap tweespalt is geconstateerd en een blokkerende groep ontstaat. Mensen kunnen elkaar niet meer vinden: ze vinden verschillende dingen belangrijk en raken in zichzelf gekeerd, kunnen zich niet meer vrij opstellen en waarnemen. Maar wat is waarnemen? Volgens Luhmann zijn waarnemen en betekenis geven met elkaar verbonden, het een kan niet zonder het ander. Betekenis geven is dat je een referentie toevoegt aan een verschijnsel, waardoor je zo’n verschijnsel (even) vastzet, fixeert. Waarnemen draagt in zich dat je iets toevoegt, ergens bewust mee bezig bent: in dit geval dat een verschijnsel in jezelf is opgenomen. Ontstaat dat toevoegen van iets in jezelf aan het verschijnsel niet, dan kan het verschijnsel er wel zijn, maar je merkt het niet op, schenkt er geen aandacht aan. Als iemand verschijnselen niet kan waarnemen, omdat hij er geen betekenis mee kan verbinden, zijn verschijnselen er voor hem ook niet; kunnen er voor hem niet zijn. Omgekeerd: iemand neemt alleen maar waar als hij aan verschijnselen een betekenis verbindt.

Waarnemen en betekenis zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Waarnemen staat voor: verbinden van betekenis aan verschijnselen die zich aan een entiteit voordoen. ‘Verschijnselen die zich voordoen’ wil dan zeggen: een entiteit staat in een voortdurend veranderende omgeving waarmee ze in wisselwerking is. Een entiteit maakt in zichzelf op een voor haar specifieke manier inbeeldingen of voorstellingen van verschijnselen die zich aan haar voordoen. Verbinden van betekenis aan verschijnselen is alleen mogelijk als een entiteit in zichzelf inbeeldingen of voorstellingen heeft gemaakt. Waarnemen staat ook voor: uit alle mogelijke voorstellingen sommige ervan met betekenis verbinden.

Iemand die een ander waarneemt, zegt van die ander dat die betekenis geeft, of dat hijzelf betekenis krijgt. Dat die ander dat doet door betekenis aan een verschijnsel te verbinden, wordt daarin als vanzelfsprekend verondersteld: het kan en gaat niet anders. Bij verbinden van betekenis aan verschijnselen gaat het om hoe mensen betekenis geven, niet dat mensen of entiteiten betekenis geven. In spreektaal zeg je dat iemand iets waarneemt, of dat je zelf iets waarneemt.Van Dale geeft meerdere verklaringen voor waarnemen. De zesde luidt: ‘bewust en met aandacht met de zintuigen in zich opnemen, constateren (iets zwakker dan gadeslaan): waarnemen is een voor waar houden van hetgeen men gewaarwordt (Schuurman); een verschijnsel waarnemen; die bijzonderheden zijn alleen met het gewapend oog waar te nemen; men nam een scherpe reuk waar; -(zeew.) opmeten: waargenomen breedte.’ Het ingewikkelde mechanisme van betekenis verbinden aan verschijnselen wordt erdoor afgedekt.

Het voorgaande klinkt erg rationeel en instrumenteel, alsof het bedachtzaam gebeurt. Verbinden van betekenis aan verschijnselen ligt echter in de aard van levende entiteiten die in wisselwerking met hun omgeving staan. In hoofdstuk I hebben we sensibiliteit beschreven als: vermogen om de ‘definitie van de situatie’ aan te voelen. Dat staat voor: wel waarnemen – en er dus betekenis aan verbinden – maar er is niet één betekenis die domineert, er zijn meerdere betekenissen die met een verschijnsel te verbinden zijn. Negeren van verschijnselen komt dan neer op het niet (kunnen) aanvoelen van een ‘definitie van de situatie’ waarin betekenis aan een waarneming verbonden wordt.Om iemand hierbij te helpen kun je hem laten ervaren wat hij negeert. Dat kan door iemand bijvoorbeeld te laten ontdekken dat hij een doel niet kan realiseren hoe hard hij het ook probeert, of iemand te confronteren met ellende die hij anderen aandoet. Dat kost tijd. Bovendien verloopt de overgang op een ander paradigma bijna altijd emotioneel. Als een manager bang is voor emoties of die ontkent, is hij alleen te helpen via sensitivity-achtige methoden die hij juist afwijst. In termen van Dewey: er ontstaat spanning tussen de persoon in kwestie en zijn omgeving. Burn-out of ineffectiviteit liggen op de loer. In de hoofdstukken VI t/m IX komt deze problematiek op allerlei manieren aan de orde. Er zijn grofweg twee vormen van sensibiliteit te onderscheiden:

  • Volkomen sensibiliteit: betekenis geven aan het feit dat je onontkoombaar verschijnselen niet waarneemt, dat er verschijnselen zijn die je geen betekenis geeft, maar die er wel ‘toe kunnen doen’. In positieve zin: bij volkomen sensibiliteit zijn definities van de situatie steeds verschillend. Je neemt nooit twee dezelfde gebeurtenissen waar. Er zal altijd ten minste één verschijnsel zijn dat verschil maakt. Voor zo’n sensibel persoon zal bijvoorbeeld elke zonsopgang en -ondergang verschillen, omdat er altijd wel veranderingen in de omgeving zijn. Een toeschouwer die zulke verschillen negeert, heeft de indruk dat er niets verandert, ook al weet hij dat dit niet zo is. Maar al weet hij dat, hij houdt er in zijn denken en doen geen rekening mee. Naarmate de verzameling niet waargenomen of genegeerde verschijnselen groter is, kan gemakkelijker de indruk groeien dat niets verandert, althans dat het mogelijk wordt zich te concentreren op een deel van de realiteit dat voor de waarnemer niet verandert.
  • Sociale sensibiliteit: het vermogen om in wisselwerking tussen mensen onderling de definitie van de situatie aan te voelen.

Als modern pragmatist ben je onontkoombaar afgesloten voor wat ontstaat en in de omgeving betekenis krijgt, als het niet in jouw model te plaatsen is. Normen en waarden worden modelmatig: ze ontstaan niet meer, maar worden geconstrueerd. Modern pragmatisme is alleen te combineren met volkomen en sociale sensibiliteit voor zover er rationele modellen worden ontwikkeld of beschikbaar zijn waarin verschijnselen die in het sociale of in de omgeving optreden, betekenis kunnen krijgen. Je hoeft niet betrokken te zijn op anderen of de omgeving, als je maar handelt volgens jouw modellen om betekenis te geven. Je wordt op die manier dubbel: je bent en blijft mens, staat in wisselwerking met de omgeving, dus je kunt niet zonder je emoties en sociale relaties, maar wat je doet is gebaseerd op modellen en kan sterk afwijken van wat je hebt geroepen. Wie het fenomeen wil herkennen, hoeft niet ver te kijken: Schröder, Kok, Blair, Clinton en Mittérand zijn boegbeelden van die stroming. Aan de top van publieke en semi-publieke organisaties kom je veel mensen tegen die ‘dubbel zijn’. In de top van grote bedrijven kom je alleen maar dubbele mensen tegen en zouden ze niet dubbel zijn, dan ervaar je ze als zo simpel, hard en rationeel dat je je van hen vervreemdt.Je kunt dan denken aan mensen als Jack Welsh van General Electric.

Pragmatisme staat in het dagelijks taalgebruik voor ‘wat werkt’, maar in filosofische zin voor een beschouwing om te rechtvaardigen dat je mag negeren. Als filosoferen wil zeggen: ‘aan verschijnselen in onszelf en onze omgeving vormen van betekenis toekennen’, dan kan een filosoof geen enkel verschijnsel negeren. Filosoferen zit de pragmatist dan in de weg: het draagt niet bij aan het kunnen stellen en realiseren van doelen. Filosofie heeft dan alleen zin als het instrumenteel kan zijn voor het realiseren van doelen. We nemen waar dat nogal wat mensen die zich ethicus of filosoof noemen, bezig zijn pragmatisch handelen filosofisch te rechtvaardigen, waardoor pragmatisten hen als helpend ervaren. Zo zijn veel filosofen feitelijk al heel lang bezig: ze hebben door de eeuwen heen politieke, wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen geschraagd, hebben op modellen gebaseerde macht een legitieme basis verschaft.Met Heidegger die de Nazi’s heeft gesteund als zeer bekende representant van die groep.

In de literatuur over organisaties, besturen en managen is relatief weinig te vinden over de invloed van filosofie. Het is opmerkelijk dat in de bedrijfs- en bestuurskunde zo weinig gezocht wordt naar filosofische en sociologische grondslagen om die ‘kunden’ een basis gestoeld op vormen van betekenis te verschaffen. Het geeft aan dat het pragmatisme de heersende grondslag is van benaderingen in die vakgebieden. Het kan ook komen door angst dat filosofen vaak de weg kwijt raakten en vervielen in discussies die niet als helpend werden ervaren. Daarom staat de vraag: ‘wat is verloren geraakt bij het volgen van pragmatisme?’, voor velen gelijk aan een brug naar een moeras waarin je langzaam wegzakt. Het is aan ons om het tegendeel aan te reiken.

3.3.2 Herkennen van de definitie van de situatie

Wie sensibel is, zal gevoeligheid ontwikkelen voor het ontstaan van verschijnselen en aan dat ontstaan betekenis geven. Een voorbeeld:

Vaas met glazen knikkers

In mijn kamer in de organisatie waar ik werkte, stond een doorzichtige glazen vaas met glazen knikkers. De vaas had de vorm van een omgekeerde piramide. Ik kreeg hem van collega’s bij mijn inaugurele rede. Pas na een paar jaar ontdekte ik, dat de knikkers als ze door elkaar gegooid waren, na verloop van enkele weken of maanden geordend waren in een of ander geometrisch figuur: een lawine, een piramide, een rechthoek, een vierkant. Ik deed er zelf niets aan. Wie de knikkers verlegden, was niet te zien of te achterhalen. Een figuur ontstond niet in één keer. Wel zag ik mensen bij discussies door mijn kamer ijsberen en af en toe knikkers pakken. Ze liepen ermee door de kamer en legden ze na verloop van tijd weer terug in de vaas. Ze kregen dan meestal een ander plekje. Weer anderen luisterden, maar verlegden intussen (gedachteloos soms bedachtzaam) knikkers.

Toen ik het ontstaan van die figuren eenmaal had ontdekt, werd me duidelijk dat ik het ontstaan zelf moeilijk kon waarnemen. Sindsdien nam ik het verleggen van knikkers anders waar. In mijn afwezigheid werd mijn kamer door collega’s gebruikt. Het viel mij op dat als ik er was, alleen mensen die mij goed kenden en met mij vertrouwd waren als het ware terloops knikkers verlegden. Soms zag je een begin van een figuur ontstaan. Als dat er eenmaal was, werd het meestal binnen dagen voltooid. Hoe snel dat ging, was afhankelijk van mijn aanwezigheid. Hoe meer ik afwezig was, hoe sneller een figuur ontstond. Als studenten op mijn kamer hadden gewerkt, ontstonden vrijwel altijd geometrische figuren in de vaas, terwijl dat veel minder vaak het geval was als medewerkers in de kamer waren geweest. Kennelijk is het nodig dat mensen tijd hebben, zich vrij voelen, rust hebben om met ogenschijnlijk nutteloze zaken bezig te zijn.

Mijn ontdekking heb ik intussen aan collega’s verteld. Nu zij van dit proces weten, kan een figuur zich steeds lastiger vormen: als een ordening dreigt te ontstaan, wordt het figuur soms snel afgebouwd en daarna door elkaar gegooid. De tijd die nodig is om een figuur te laten ontstaan, wordt niet meer gegeven. Weer anderen nemen nu de tijd om in een keer een figuur neer te leggen. Een figuur dat eerst in wisselwerking met de omgeving kon ontstaan, wordt nu volgens een concept neergelegd.

De toestand waarin een figuur in de vaas al dan niet ontstaat, is gevoelig voor interventies. Het simpele feit dat ik op mijn kamer ben, zorgt er al voor dat een figuur niet in wisselwerking ontstaat. Je zou kunnen zeggen: als ik in mijn kamer ben, zal een figuur niet spontaan ontstaan. Door mijn aanwezigheid, door wat ik doe, wellicht doordat aan wat ik doe met anderen een doel ten grondslag ligt, kunnen mensen niet spelen. Als ze moeten wachten of als mijn kamer alleen verblijfplaats is, wordt de ‘definitie van de situatie’ anders en krijgen verschijnselen een andere betekenis. Dan is de vaas met knikkers eerder een spel dan een versiering. Ik heb geen experiment gedaan, maar vermoed dat als de vaas met knikkers in een wachtkamer van een arts zou staan, elke dag wel een figuur ontstaat of meerdere figuren per dag. Je mag aannemen dat mensen af en toe een knikker meenemen, zodat na verloop van tijd de vaas bijna leeg is. Maar het kan net zo goed anders gaan. Dat hangt vermoedelijk af van het dorp, de stad of buurt waar de arts gevestigd is en de geaardheid van zijn patiënten. Je weet het niet. Je kunt het niet weten.

Het voorbeeld laat zien dat het lang duurt voor het ontstaan van figuren herkend wordt en dat omstandigheden bepalend zijn voor iets wat ontstaat. Maar toen het eenmaal werd gezien, begonnen de omstandigheden waaronder zo’n figuur ontstaat herkenbaar te worden en kon er zelfs mee worden geëxperimenteerd.Als ik naga wanneer ik dat kon zien, was het toen ik bezig was met hoofdstuk IV. Wie dat hoofdstuk leest, zal de overeenkomst kunnen invoelen: betekenis geven aan betekenis die ontstaat; in dit geval betekenis geven aan het ontstaan van figuren in omstandigheden waarin ze ontstaan. Had ik dat invoelingsvermogen niet gehad, dan zou ik wel hebben gezien dat er af en toe figuren ontstonden, maar het verband tussen het ontstaan van figuren en omstandigheden niet hebben waargenomen.

Algemeen: de invloed van je eigen aanwezigheid is groot. Maar je kunt die invloed niet goed waarnemen, want je neemt je afwezigheid in een omgeving niet waar. Je eigen invloed is veel groter dan je geneigd bent aan te nemen. Je bent onderdeel van de definitie van de situatie. Hieronder wordt verstaan: het verband tussen verschijnselen dat vigeert en waarvan de entiteit zelf deel uitmaakt.

Wie bijvoorbeeld op safari gaat, stapt in een landrover met open dak; de ramen zijn open, mensen praten (zachtjes). Maar dieren lopen niet weg, ook al ben je vlakbij. Ze kennen het patroon: mensen in landrovers bijten niet, zijn niet gevaarlijk. Zodra je uitstapt of op het dak van de auto gaat staan en zo’n dier jou los van de auto ziet, loopt het weg. Een ander voorbeeld:

De mooie secretaresse

Ik had een heel mooie jonge secretaresse. Als ze mijn kamer binnenkwam en ik had gasten dan werd het stil. Er werd naar haar gekeken. Ze voelde dat, bloosde en werd onzeker. Ze vond het vreselijk. Op een gegeven moment vroeg ze waarom dat gebeurde. Ik vroeg haar of het altijd mannen waren. Ja, hè hè. Ik vroeg haar of ze zichzelf weleens in de spiegel bewonderde. Dat deed ze nooit. Ze vond zichzelf absoluut niet mooi. Ik zei dat die mannen lieten weten dat ze er anders uitzag dan zij dacht. Ze twijfelde aan dat antwoord en zei dat het ook bij vrouwen gebeurde en bij collega’s. Ik beaamde dat. Dat ze er mooi uitzag was niet het enige. Iemands houding doet er ook toe: ze zagen dat ze verlegen was. Ook het feit dat iemand met koffie binnenkomt, is voor sommigen aanleiding te stoppen met hun bezigheden. Degene die binnenkomt, heeft niets te maken met wat besproken wordt: je doorbreekt vertrouwelijkheid. De manier waarop je vraagt wat iemand wil drinken of hoe je kijkt doet er al toe, of hoe je iemand hebt ontvangen. Het maakt ook groot verschil of ikzelf een stilte laat vallen en ophoud met praten.

Wij gingen observeren wat er gebeurde. Onze conclusie was dat het van alles wat kon zijn. Hoofdmotief was dat binnenkomen aandacht trekt, maar daarna houdt verklaren op. Geleidelijk veranderde haar houding. Ze speelde met wat er gebeurde en bracht daarvan af en toe verslag uit. Ze bloosde na enige tijd niet meer, er vielen steeds minder stiltes en als ze er waren wist ze wat moest doen om zo min mogelijk te interveniëren.

Hoe ga je om met omstandigheden, hoe zijn verschijnselen gerelateerd aan omstandigheden? Of een politieagent in een auto surveilleert, op de fiets zit of loopt, maakt groot verschil. Er zal wel wetenschappelijk onderzoek naar zijn gedaan, maar de verschillen zijn ook in te voelen, hetgeen nog niet wil zeggen dat ze ook optreden of onder alle omstandigheden zullen optreden. Te voet blijft een agent langer op dezelfde plek, kan hij gemakkelijker blijven staan om een praatje te maken, hij kan zich met mensen verbinden en zo meer waarnemen. Een agent in de auto komt over als toezichthouder. Als hij uitstapt, wordt dat geassocieerd met zijn boekje trekken om een bekeuring uit te delen; het valt mee als het niet zo is. Een lopende agent ten opzichte van een in een auto rondrijdende agent verandert de definitie van de situatie: de agent in die twee verschillende situaties is – vanuit de bevolking gezien – een andere agent.Wie dit verschil in de definitie van de situatie niet ervaart, zal het verschil in betekenis niet kunnen duiden. De overheid anticipeert op onveiligheid en wil de aanwezigheid van politie op straat vergroten. Het beleid heet: ‘meer blauw op straat’. Maar meer agenten in auto’s is bepaald niet hetzelfde als meer agenten lopend op straat. ‘Meer blauw op straat’ is een te grove benadering voor gewenste effecten op de wisselwerking tussen agenten en burgers.

3.3.3 Verbinden van betekenis in en met patronen: stavolutie

Hoe ontwikkelen mensen verbanden tussen verschijnselen, voorstellingen en betekenis? Het is een vraag die bijvoorbeeld past bij een baby die ter wereld komt en in wisselwerking met de omgeving verschijnselen en betekenis met elkaar gaat verbinden.

Laten we bijvoorbeeld het begrip ‘tafel’ als vertrekpunt nemen. De baby ziet een tafel als één van de verschijnselen in een omgeving. Hij kan de tafel niet als zodanig onderscheiden. Het zal bijvoorbeeld poten zien, een blad en voorwerpen erop, zoals een beker. Niet dat de baby die begrippen kent: de tafel doet zich aan de baby voor als een geheel dat uit niet-benoembare delen is opgebouwd of wordt onderscheiden.

Als je met iemand praat over de manier waarop je denkt dat de baby met de tafel omgaat, gebruik je begrippen die betekenis en waarneming voor jou met elkaar verbinden en in communicatie overdraagbaar zijn. Dat is voor de baby nog niet mogelijk: die is in wisselwerking met de omgeving, maakt voorstellingen, maar kan geen enkele voorstelling van andere voorstellingen onderscheiden. De tafel kan pas als zodanig worden herkend – zonder dat de baby het woord tafel eraan kan verbinden – als die met iets anders kan worden verbonden waarover de baby beschikt, bijvoorbeeld een zich herhalend verschijnsel, een patroon. De baby kan dan verschijnselen aan dat patroon relateren, neemt waar. Het is een vorm van ‘betekenis verbinden met verschijnselen’. Ook dan doet zich nog een mogelijkheid voor: de baby neemt iets waar, maar kan dat nooit of nog niet communiceren. Er zijn dan drie soorten waarnemen te onderscheiden:

  • betekenis die een baby aan verschijnselen verbindt in wisselwerking met de omgeving en die nooit overdraagbaar zal worden;
  • betekenis die een baby aan verschijnselen verbindt in wisselwerking met de omgeving. Hij neemt waar. Die waarneming is pas in symbolen overdraagbaar als de baby is ontwikkeld tot dreumes en over symbolen voor waarnemen beschikt;
  • betekenis die een kind of volwassene kan communiceren via symbolen, die de verbinding van verschijnsel en betekenis representeren. Zo’n representatie zullen we begrip noemen.

Zodra je het waarnemen van een baby wil beschrijven en communiceren, word je genoodzaakt de derde vorm van waarnemen te gebruiken om de eerste en de tweede vorm – hoe het kind in wisselwerking met de omgeving betekenis aan verschijnselen verbindt – te kunnen beschrijven. Er ontstaat een vertelling over hoe een baby vanuit de tweede vorm van waarnemen de derde leert. De eerste beperking van die manier van doen hebben we daarmee al te pakken: wat we door en in het gebruik van woorden negeren, is niet communiceerbaar en verloren gegaan.Wat we met gebruik van woorden verliezen, kunnen we wel door en in ervaren blijven herkennen. Voor ‘ervaren’ volgt in hoofdstuk IV een duiding. Hier volstaan we met het algemene begrip ‘ervaren’ dat we in onze spreektaal gebruiken.

Laten we eerst eens ingaan op een ontwikkeling van baby tot dreumes. De overgang van warmte op kou zal bij geboren worden een zeer primair verschijnsel zijn, een eerste gewaarwording. Dan honger hebben, slaap krijgen, eten krijgen, slapen. Dat patroon herhaalt zich: eten, slapen, wassen, geknuffeld worden, zijn verschijnselen die optreden en zich herhalen. Om ze te onderscheiden van andere verschijnselen, zullen we ze primair noemen.

Het kind zal ervaren dat omstandigheden veranderen: verschillende mensen die eten geven, verschillende omgevingen, maar het patroon in primaire verschijnselen handhaaft zich en vormt een vast patroon: voor de baby is het herkenbaar als cluster van verschijnselen die zich steeds in dezelfde volgorde in allerlei omstandigheden herhalen.

Die clusters zullen zich uitbreiden en ermee in verband kunnen worden gebracht: wassen, aankleden, de ermee gepaard gaande wisselingen van warmte en kou, dezelfde personen, het herhalen van omgevingen, dezelfde omgeving. In het kind zelf komt, naast en in wisselwerking met de omgeving, de wisselwerking tussen lichaamseigen stelsels op gang. Het patroon van stofwisseling, slapen, bewegen, zijn vormen van wisselwerking van stelsels binnen het kind die verbonden worden met verschijnselen en patronen in de omgeving. Binnen het kind treden verschijnselen en patronen op die zich herhalen en handhaven en samenvallen met patronen in wisselwerking met de omgeving. Alle patronen versterken elkaar en handhaven zich. Alle zich handhavende patronen kunnen gecombineerd worden met nieuwe patronen en vormen een basis om andere patronen te herkennen. Wisselwerking tussen patronen ontstaat. Patronen worden herkenbare verschijnselen; de samenhang tussen verschijnselen in de omgeving en primaire verschijnselen groeit.

Als meerdere patronen beschikbaar zijn, zullen verschijnselen aan verschillende patronen te relateren zijn. Wordt bijvoorbeeld eten verbonden met honger hebben of met de persoon die eten geeft, wordt knuffelen verbonden met zich prettig voelen of met de persoon die knuffelt, wordt slapen verbonden met de wieg of met slaap? Het zijn niet langer alleen of vooral patronen in primaire verschijnselen die een referentiestelsel vormen, maar dat kunnen alle patronen zijn die de baby heeft herkend. Het is het stadium variëren: veranderen van samenhang tussen verschijnselen, gezien vanuit de baby.

Je herkent dat de baby niet alleen over patronen in primaire verschijnselen beschikt. De ontwikkeling van de baby vordert. Je neemt die vordering waar in invloed van de baby op de omgeving, de omgeving verandert. Dat kan eruit zien als: ouders en anderen gaan met de baby steeds meer op stap, geven hem voorwerpen om mee te spelen en te leren bewegingen te coördineren, leggen de baby in een box, geven ander eten, gaan woorden roepen als ‘mama’ en ‘papa’. Er ontstaan nieuwe verschijnselen, nieuwe patronen, hoofden krijgen namen. We zullen dit stadium differentiëren noemen: veranderen van de samenhang van verschijnselen gezien vanuit de omgeving van de baby.

Als de baby in verschillende omgevingen, in verschillende definities van de situatie wat in variëren is bereikt kan vasthouden, wordt het stadium van animiseren bereikt. De baby kan bijvoorbeeld gezichten onderscheiden onafhankelijk van de omgeving. Zo’n gezicht wordt dan verbonden met een patroon dat aan die persoon is verbonden: stemgeluid, een geur, een glimlach.

Algemeen: de ontwikkeling van de baby heeft het stadium bereikt dat het een herkenbare eigen ziel heeft gekregen. We zeggen de baby is dreumes geworden. Herhalen (1), handhaven (2), groeien (3), variëren (4), differentiëren (5) en animiseren (6) zijn stadia waarin steeds meer verschijnselen samenhang krijgen in de vorm van patronen en patronen referentie worden voor nieuwe verschijnselen. Het zijn stadia in een evolutie.

Een verschijnsel dat het geanimiseerde stadium bereikt heeft, wordt ervaren als normaal verschijnsel dat kan worden verbonden met een nieuwe evolutie waarin weer stadia zijn te onderscheiden. De stadiumgewijze evolutie stapelt zich.De ontwikkeling van een kind is te beschouwen als een niet aftelbaar aantal stadiumgewijze evoluties. Welke stadiumgewijze evolutie je wilt beschrijven is afhankelijk van de waarnemer en de waarneming waarmee die begint. De hiervoor gegeven beschrijving van een stavolutie tot een kind een gezicht herkent, is nogal grof. Ze is feitelijk een verzameling gestapelde stavoluties. In hoofdstuk IV gaan we er dieper op in. Op enig moment kun je waarnemen dat de baby invloed van zichzelf op de omgeving ervaart. Het kind heeft een eigen identiteit gekregen.

Het begrip ‘evolutie’ heeft gewoonlijk twee betekenissen (zie Van Dale):

  1. leer van de langzame ontwikkeling van de ene soort uit de andere ook wel afstammingsleer;
  2. geleidelijke voortschrijding naar het betere, hogere of complexere;

We zullen de eerste betekenis evolutie blijven noemen en de tweede stadiumgewijze evolutie, verkort tot stavolutie. Evolutie komt vooral tot uitdrukking in beschrijvingen hoe soorten uit elkaar ontstaan, vooral in termen van in fysieke zin uitgedrukte verschijnselen. Stavolutie wordt in dit boek uitgewerkt tot een generalistische benadering van processen waarin geleidelijke voortschrijding naar het betere, hogere of complexere ontstaat.Het gevolg van de definiëring volgens Van Dale is dat we evolutie en stavolutie gewoonlijk associëren met ontwikkelingen die daadwerkelijk het hogere of complexere bereiken. Maar elk evolutionair en stavolutionair proces kan afbreken. Als we in het vervolg over evoluties en stavoluties spreken, bedoelen we alle evolutionaire en stavolutionaire ontwikkelingen. Stavolutie past bij een opbouw zoals Von Hartmann heeft beschreven (1940):

  1. Er zijn steeds categorieën van een diepere laag van dien aard, dat zij in de hogere terugkeren; er zijn nooit categorieën van een hogere laag die in een lagere terugkeren. Het in elkaar grijpen van de categorieën gaat alleen naar boven, niet naar beneden.
  2. De terugkeer van categorieën is steeds beperkt. Hij geldt niet voor alle categorieën van de diepere laag en strekt zich ook niet zonder meer over alle hogere lagen uit. Er bestaat een afbreken van de geldigheid op een bepaalde laag.
  3. Bij het blijven gelden op hoger niveau wijzigen de onderhavige categorieën zich. Zij worden naar het karakter van de hogere laag vervormd.
  4. De terugkeer van de lagere categorieën maakt nooit het typische karakter van de hogere laag uit. Dit karakter berust op het intreden van een categoraal novum dat […] in het optreden van andersoortige categorieën bestaat.
  5. De stijgende reeks zijnsvormen is geen continuüm (gaat niet geleidelijk). Doordat op bepaalde punten van de reeks het categorale novum in verscheidene categorieën tegelijk intreedt, zijn de verschillende lagen scherp van elkaar afgegrensd [...]

Terug naar het voorbeeld van de baby. De primaire verschijnselen blijven bestaan, maar worden niet meer als zodanig waargenomen: voor de baby zijn ze fundament geweest waarop andere patronen zijn gebouwd. We nemen een veranderde betekenis van de primaire verschijnselen waar: ze krijgen minder aandacht, worden niet meer verbijzonderd. Maar als we in een situatie raken waarbij ze passen, blijkt dat ze er nog steeds zijn. De betekenis ervan is gedurende de stavolutie veranderd, vanwege verandering in situaties waarin we raken.

We kunnen nu iets zeggen over verbinden van betekenis aan verschijnselen. Het is niets anders dan verbinden van verschijnselen aan een patroon. Het verbinden noemen we betekenis geven. Dat is eigenlijk een uitdrukking die niet past, want het gebeurt: we geven niet, we bedenken het niet, maar het ontstaat. Het begrip ‘betekenis geven’ lijkt in te houden dat een entiteit dat bewust doet, maar dat is eigenlijk nooit het geval. Als we spreken over betekenis geven, bedoelen we het proces waarbij een entiteit ‘tegen wil en dank’, onbewust, verschijnselen met een patroon verbindt. ‘Zo doen we het’ is een epistemologische, kennistheoretische uitdrukking. Het in stavolutie verbinden van betekenis aan verschijnselen is een proces dat karakteristiek is voor entiteiten die in wisselwerking met hun omgeving staan en die wisselwerking kunnen continueren.

Een proces van stavolutie kan op elk moment beginnen en kan op elk moment afbreken. Voor een beschrijving is het nodig een begin te definiëren. In ons voorbeeld was dat de ontwikkeling van primaire verschijnselen die aan een baby werden gekoppeld. Het is een ruwe beschrijving van iets wat in de realiteit veel en veel subtieler ontstaat. Stavoluties kunnen willekeurig subtiel beschreven worden. De subtiliteit hangt af van de waarnemer. Zo kunnen we het leren van woorden onder de loep nemen.

Laten we teruggaan naar het woord ‘tafel’ en de manier waarop de baby dat woord stavolutionair zal verbinden met het object ‘tafel’.Bij voldoende nauwkeurige detaillering zal de beschrijving per baby gaan verschillen en specifiek worden. Het verschijnsel v is dat een baby als hij wordt opgetild iets ziet wat hij anders niet zag. Elke keer dat de baby wordt opgetild, worden voorwerpen voor hem zichtbaar die hij van benedenaf niet kon zien; v herhaalt zich (1). In elke ruimte en in elke omgeving ziet de baby dat; v handhaaft zich (2). De baby ontdekt het bestaan van positie door wat hij waarneemt. Met zijn waarneming van verschijnselen bij optillen verbindt hij zijn positie: de samenhang tussen verschijnselen waarin v als voorstelling ontstaat, groeit (3). De baby ontdekt dat er een positie is van waaruit je op een tafelblad iets kunt waarnemen dat anders verborgen blijft: hij neemt waar dat voorwerpen op het tafelblad worden geplaatst en er vanaf worden gehaald. De essentie van tafel wordt: het plaatsen van voorwerpen op een verhoogd blad; v varieert (4). De baby komt in verschillende omgevingen. Hij wordt op de grond gelegd of op een tafel, komt in keukens, zijn eigen kamer, een tuin. Hij herkent rituelen als patronen: stoelen staan rondom een verhoogd blad, personen zitten rondom zo’n blad, als je iets vastpakt op het blad wordt er geïntervenieerd. V wordt verbonden met rituelen; v differentieert (5). De baby wordt geconfronteerd met het roepen van het woord tafel in verbinding met een ritueel en wat hij doet. Hij ontdekt dat het woord tafel en sommige rituelen bij elkaar passen. Hij ontdekt het verband van een verhoogd blad met de functie ervan als een vast ritueel en verbindt het met het woord tafel. Het verschijnsel tafel is geanimiseerd (6).Deze beschrijving gaat ervan uit dat het woord tafel een van de eerste woorden is die de baby leert. Als die veronderstelling wordt losgelaten, hij al woorden tot zijn beschikking heeft, ziet het er anders uit.

Let wel, het hoeft niet zo te gaan, het kan zo gaan. Sommige kinderen zullen het woord en begrip tafel wellicht eerst verbinden met die tafel op die plek waar dit of dat gebeurt. Hoe het ook zal gaan, de stadia van herhalen tot animiseren zullen in een of andere vorm optreden. En terwijl een volgend stadium optreedt, blijven de daarvoor gepasseerde stadia bestaan, die zich verbreden en verdiepen overeenkomstig het derde kenmerk uit het rijtje van Von Hartmann. Na het stadium animiseren stopt stavolutie niet. Afhankelijk van wisselwerking van het verschijnsel met zijn omgeving, kan een verschijnsel verder evolueren. Voor de waargenomen tafel is zo’n ontwikkeling niet mogelijk: de tafel is immers een niet-levend stelsel. Je kunt wel nog eens zes stadia beschrijven in de ontwikkeling van het voorwerp tafel naar een vorm die niet meer verandert, of je doorloopt een stavolutie hoe het begrip tafel verbonden met het woord tafel verder evolueert. Deze laatste zou er dan als volgt kunnen uitzien:

De geanimiseerde uitkomst van de vorige stavolutie, is het verschijnsel (v): de functie vantafel’: verhoogd blad om dingen op te zetten. De tafel staat in omgevingen waar die functie wenselijk is: het verschijnsel herhaalt zich. Je richt je handelen zo in dat je niet meer zonder de functie van de tafel kunt: het verschijnsel handhaaft zich. Er ontstaan steeds meer handelingen waarvoor de functie gebruikt wordt: het verschijnsel groeit. Je gaat de tafel gebruiken om er wel eens op te zitten en te staan of aan te schrijven: het verschijnsel varieert. De invloed van het specifieke gebruik van de tafel op de omgeving leidt tot differentiatie van omgevingen: daar waar zo’n tafel staat, gebeuren bepaalde dingen en omgekeerd definieert de omgeving de tafel. Je gaat het begrip tafel in allerlei omgevingen gebruiken. We noemen die omgeving dan context, zoals kantoor, huiskamer, keuken: het verschijnsel differentieert. Je gaat (v) als metafoor gebruiken: een verhoging, een podium om iets beter uit te laten komen of om juist dingen van te laten verdwijnen, of om iets dominant te verklaren boven andere dingen. De functie van tafel: ‘verhoogd blad om dingen op te zetten’ is geanimiseerd: er worden andere woorden en voorstellingen mee verbonden.

Terug naar het leerproces van de baby. Het is niet duidelijk hoe het kind het object, dat door de omgeving ‘tafel’ wordt genoemd, zal waarnemen. Het kind kan de tafel bijvoorbeeld wel herkennen, zonder daaraan nog het woord tafel te (kunnen) verbinden. Als het kind het woord tafel eenmaal verbindt, dan is het met een object zoals het kind het op dat moment waarneemt. Het object kan bijvoorbeeld zijn: een ding met poten om zich aan op te trekken. Er hoeft nog geen sprake te zijn van een waarneming van de tafel zoals bedoeld, maar het is een object dat het kind gebruikt om zich omhoog te trekken. Voor het kind is op enig moment een tafel ‘die tafel’, het object dat daar staat en die vorm heeft en op een bepaalde manier gebruikt wordt. Het kind ervaart de tafel op zijn manier. ‘Tafel’ is een specifiek object op een specifieke plaats. Het woord tafel kan nog steeds passen bij de waarneming van het object tafel, zonder dat het kind er de betekenis aan verbindt waarvoor een tafel is bedoeld.

Algemeen: het gebruik van een object kan verschillen van de functie waarvoor het is bedoeld. Een naam kan aan een voorwerp worden gekoppeld volgens een totaal ander gebruik van het voorwerp dan waarvoor het is bedoeld. Wijzen op een tekening van een voorwerp verraadt op zich ook niet de bedoeling van het voorwerp. Maar door herhaling en herkenning van dat gebruik wordt de bedoeling van het voorwerp ontdekt. In het geval van de tafel kan het voor een kind essentieel zijn, dat het eerst ervaart dat je iets van een tafel kunt mikken en niet dat steeds bukken vermoeiend is. Het voorkomen van bukken komt pas aan de orde als iemand groot is of oud. Het kind ervaart wellicht eerder dat rechtop staan of zitten en voorwerpen op een verhoogd blad zetten en het eraf mikken met elkaar zijn geassocieerd. Hoe dat eruit ziet, kan voor elk kind in elke omgeving verschillend zijn. Wanneer een kind verbindingen tussen verschijnselen ontdekt, is het specifiek voor dat kind, gegeven de omgeving waarin het leeft, diens mogelijkheden en eerdere ontwikkeling.

Als het kind eenmaal rechtop staat en op een tafel kan kijken, kan het dingen van tafel pakken en door herhaling de regel afleiden dat wat over de rand gaat, valt. Het kind zal waarnemen dat allerlei voorwerpen op tafel worden gezet en zal leren dat die niet over de rand gebracht mogen worden. Het kind kan daarvoor gestraft worden in de vorm dat iemand uit de omgeving onaangename omstandigheden schept, zodat het leert dat het over de rand brengen van voorwerpen gedrag is dat vervelende verschijnselen oproept. Het kind stopt er dan mee, maar dat wil niet zeggen dat het er de betekenis aan verbindt dat het getoonde gedrag ongewenst is. Het kind zal een patroon ontdekken in een reeks herhalingen en een verband ervaren dat alles wat op tafel wordt gezet, daar blijft tot het er weer wordt afgehaald. Het ervaart rituelen in de vorm van handelingen die met de tafel in verband staan. Er zijn dus talloze manieren om het begrip en de functie van tafel met elkaar te leren verbinden; en er ligt steeds een stavolutionair proces aan ten grondslag. Pas als het kind stavolutionair heeft geleerd te leren kan het via zo’n leerproces, bijvoorbeeld in schoolverband, gericht verbanden tussen verschijnselen leggen. Ook dan worden stavolutionaire processen gebruikt, alleen zeer gericht.

De overgang van baby op dreumes, daarna op peuter en vervolgens op kleuter is niet het einde van het ontwikkelproces van een kind: het gaat door. Als je iets zegt over de wijze waarop het kind waarneemt, zeg je tegelijk iets over je eigen waarnemen. Deze tekst zegt een en ander, maar is verre van volledig en al helemaal niet juist als je deze van toepassing zou verklaren op een bepaald kind. De specifieke vorm waarin een specifieke baby iets leert, kan niet worden verteld. Een waarnemer is niet in staat dat proces overeenkomstig de subtiliteit die speelt waar te nemen of te kennen.

3.3.4 Hoe een individu met de omgeving wordt verbonden

Het begrip tafel definieert een groep en een cultuur, namelijk de groep die het woord tafel uitspreekt en met een object verbindt.Dat object ziet er anno 2002 anders uit dan bijvoorbeeld in het jaar 0. Zo’n groep is te beschouwen als een verzameling mensen: bijvoorbeeld een familie of mensen die dezelfde woonomgeving delen. Met het overnemen van het woord tafel wordt een kind verbonden met de groep die dat woord gebruikt voor het object dat het kind ermee verbindt. De toewijzing van dat woord is specifiek voor die groep, zodat het kind een specifiek kenmerk van die groep overneemt en er lid van wordt.

Dat is niet de enige manier waarop een kind vrijwel vanzelf in wisselwerking met de omgeving lid wordt van een groep. Ook het volgen van een handelingspatroon dat een groep kenmerkt – een ritueel: een reeks handelingen die wordt herhaald en specifiek is voor een groep – verbindt een individu met een groep: je gaat tot een groep horen als je de rituelen van een groep overneemt.In deze beschrijving worden normen en waarden niet onderscheiden. Een baby kent geen normen of waarden; hij (her)kent alleen rituelen. In de loop van zijn leven zullen normen en waarden onderscheidbaar worden, maar voor velen zullen het rituelen blijven.

Algemeen: tekens, rituelen en objecten die specifiek zijn voor een groep, definiëren je als lid van die groep als je ze overneemt. Een individu dat kan worden gezien als groepslid vanwege het overnemen van tekens, rituelen en objecten van die groep zullen we Quita noemen. Quita markeert betekenis die een ‘ik’ niet vanuit zichzelf kan geven, maar overneemt van een groep.

De potentie van een individu om op zichzelf in wisselwerking met de omgeving te zijn, zich te onderscheiden als een geheel in wisselwerking met de omgeving, definieert een op zichzelf staande ‘ik’, los van een groep. Er ontstaan zo twee definities van ‘ik’:

  • Quita: ‘ik’ gedefinieerd op basis van een groep, door overname van tekens, rituelen en objecten van die groep.
  • Kika: ‘ik’, een individu op zich, los en onafhankelijk van ieder ander.

De woorden quita en kika zijn ontleend aan het Japans; de begrippen worden daar naast elkaar gebruikt. Een quita ziet zichzelf als onderdeel van de groep waartoe hij of zij zich rekent en kan gezien worden als drager van de groepskenmerken. Wat een quita in een omgeving doet, is daarmee ook articulerend voor de groep waarbij hij of zij hoort. Een kika staat op zichzelf, gaat uit van zichzelf en geeft vanuit die positie betekenis aan zijn omgeving, inclusief de sociale groep waartoe hij of zij zich rekent. Kika is typisch westers: als een westerling het woord ‘ik’ gebruikt, bedoelt hij kika. Het woord ‘individu’ bij Luhmann of Dewey is een kika-definitie. Maar je bent meer quita dan je je bewust bent. Of je dat ook zo voelt, is iets anders.

We kunnen nu iets toevoegen aan wat we al eerder zagen in Dewey’s benadering van de realiteit en daarmee in modern pragmatisme. In die vorm van pragmatisme wordt het bestaan van quita genegeerd. In Dewey’s benadering staan mensen weliswaar in wisselwerking met de omgeving en dus met anderen, maar ze proberen met hun denken een handelingspatroon te ontwerpen dat spanning, die tussen hun omgeving en henzelf in wisselwerking is ontstaan, oplost en verandert in harmonie. Vanuit die optiek maak je geen deel uit van een groep, geeft het ‘lid zijn’ jou geen betekenis, maar komt alle betekenis voort uit jezelf in wisselwerking met de omgeving. Je kunt wel spanning of harmonie met mensen ervaren, maar dat is aan jezelf gekoppeld: dat een groep iets van jou vindt, heeft op zich geen betekenis. Het heeft pas betekenis als jij er in je denken betekenis aan kunt verbinden en dan zegt of je er gemak of last van hebt.

Spanningen ontstaan als je een emotie hebt, die je als negatief ervaart. Wil je spanning oplossen, dan kan het bij die manier van betekenis geven niet anders dan dat je vanuit je denken probeert de verschijnselen en de omstandigheden anders te interpreteren. Je ontwerpt een strategie om het door jou ervaren probleem op te lossen. Omdat jij als modern pragmatist uitgaat van jezelf, zal die strategie er vaak op gericht zijn dat jij anders gaat kijken naar dezelfde verschijnselen. Je moet dat dan weer rationaliseren en expliciteren als je er met anderen over praat, want jouw emotie helpt niet om verandering te bereiken: jouw emotie kan moeilijk door anderen worden gedeeld en kan juist aanleiding zijn van het probleem. Emotie is jouw interpretatie van verschijnselen.

Als anderen jou aanvallen op je rationaliteit, op het feit dat de betekenis die een groep geeft er voor jou kennelijk niet toe doet, dan kun je zeggen dat je bij een andere groep hoort of bij heel veel groepen. Dat je betekenis die een groep aan jou geeft, in je gedrag afwijst, is voor een ander niet rationeel bewijsbaar, maar je gedrag nodigt uit om die betekenis eraan te verbinden.

In dit type pragmatisme zijn taal en rituelen communicatiemiddelen tussen jou en anderen. Het is prettig dat je die deelt, maar aan dat delen kan geen andere dan instrumentele betekenis worden gegeven: de quita-definitie – ik die verbonden ben met en betekenis krijg uit een groep – wordt genegeerd. Betekenis die een groep geeft herkennen en die betekenis delen, is niet vervangen door betekenis vanuit het individu, maar wordt rationeel getransformeerd tot uitspraken en feitelijk genegeerd.Het feitelijk negeren van betekenis die een groep geeft, is onmogelijk: het is inherent aan het bestaan – het zijn van een levende entiteit in de realiteit –. De betekenis van de groep kan wel rationeel worden ontkend of strategisch worden benaderd.

In ‘Science as solidarity’ (1991) geeft Richard Rorty een uiteenzetting die gezien kan worden als generalisatie van het denken van Dewey. Hij stelt dat rationaliseren in de westerse samenleving een bepaalde vorm heeft gekregen. Je niet mag domineren, niet emotioneel zijn. Je moet vertrouwen op je argumenten. Het model dat je als oplossing bedacht hebt, moet je rationeel beargumenteren en expliciteren, blijven aanpassen en voorleggen totdat iedereen het accepteert. Als iedereen dat zo doet, wordt het methode en legt het een vorm van gedrag vast die je kunt typeren als ‘redelijkheid’. Het definieert een groep kika’s die elkaar in dat gebruik vinden en dat als een vorm van solidariteit ervaren. Die groep is groot: veel parlementsleden, veel managers en bestuurders, veel ambtenaren, nogal wat journalisten en inmiddels ook voetbalcoaches.Kamerlid Ros van het CDA vertelde op 12 juni 2001 op radio 1 dat buitenlandse journalisten haar aan één stuk door benaderden over voor hen onbegrijpelijke en irritante Nederlandse gedragingen: “Nederland is in Europa de risee geworden op het terrein van immateriële zaken.” Uit de context werd me duidelijk dat ze met immaterieel ‘niet-rationeel’ bedoelde. Aanleiding was het uitvaren van een abortusboot naar Ierland. Een aantal concrete voorbeelden om te herkennen:

No-nonsensebeleid

In de jaren 80 voerde toenmalig premier Lubbers modern pragmatisme in onder het motto ‘no nonsense’. De overheid kampte met forse tekorten en toenemende uitgaven. Tot die tijd werd financiering gezien als dekking van kosten verbonden aan ontwikkelingen in de samenleving. Per jaar kun je dan vaststellen wat het tekort is, dat vervolgens weer de belastingheffing bepaalt. Dat gaat net zo lang goed tot je een punt bereikt waarbij de belasting zo hoog is, dat je die niet meer kunt verhogen. Je wordt dan gedwongen een open budgetbeleid te veranderen in een gesloten budgetbeleid waarin je tevoren vaststelt hoeveel, waarvoor mag worden uitgegeven.

Lubbers was in de jaren 80 succesvol met de benadering die Rorty beschreef. Het staat voor rationaliseren van problemen, erover onderhandelen, draaien en keren om samen een oplossing te vinden. Geen van de partijen mag het vertegenwoordigende belang laten domineren of emotioneel worden.

De Bijlmer-enquête

In de tweede helft van de jaren 90 is na het neerstorten van een Boeing in de Bijlmer een parlementair onderzoek verricht naar de vraag hoe de overheid was omgegaan met klachten van burgers. De casus was dat mensen uit de Bijlmer meenden dat ze niet (goed) waren geholpen en hun klachten niet serieus werden genomen. Hun behandelend artsen toonden dat aan en gaven feiten waaruit bleek dat ook zij niet serieus werden genomen, dat het AMC en de overheid klachten en feiten negeerde.

De onderzoeker van het AMC die zei zelf geen medicus te zijn, kon geen verbanden vinden die de ziekteverschijnselen verklaarden. Er was dus geen verband en je kon van zo’n neergestort vliegtuig en de effecten ervan niet ziek zijn geworden. Het AMC nam het standpunt van de onderzoeker over. Ambtenaren en ministers kennen deze manier van kijken, gaan daar achter staan en menen dat onderzoekers het goed gedaan hebben. Het is niet één persoon die zo kijkt, maar het is een heel stelsel. Wie klachten verbindt met omstandigheden zonder dat causaliteit aantoonbaar is, wordt niet serieus genomen, is niet behandelbaar.Alleen al de beelden van de ramp kunnen voor degenen die het hebben meegemaakt steeds opnieuw een diepe traumatische emotie opwekken. Wie denkt dat daaruit geen klachten kunnen ontstaan? Zou een luisterend oor en het serieus nemen van de klacht een therapie zijn?

De onderzoekscommissie – met het CDA-kamerlid Meijer als voorzitter –, opponeerde tegen dit rationele complex toen ze de klachten van de mensen wel serieus nam. De commissie werd door kamerleden en regering getrakteerd op een stroom verwijten: ze zou waar geen klachten konden worden aangetoond en ze toch opkwam voor de burger, een volstrekt verkeerde en onverantwoorde positie innemen, onprofessioneel gedrag ten toon spreiden, zich verkeerd positioneren op televisie en in de media, op de positie van de minister uit zijn. De commissie bleef staan, maar slaagde er niet in door dit pantser van pragmatisme en rationalisme heen te breken. Het verschil tussen regering en kamer tegenover de commissie werd bepaald door wat je betekenis geeft bij organiseren. De Bijlmer-enquête heeft de dominantie van het rationele complex in Den Haag niet aangetast.De opkomst van Fortuijn heeft de ‘betekenisarmoede’ van dit rationele complex in het begin van 2002 pijnlijk blootgelegd. Door structurele verwaarlozing van verschijnselen die voor burgers betekenis hebben maar die niet causaal en rationeel met de modellen van de regeringen-Lubbers en -Kok te verbinden waren, is grootschalig ‘achterstallig democratisch onderhoud’ ontstaan, waarin onvoorspelbare emotionele explosies konden optreden, zoals op 6 mei 2002. Zie ook casus ‘Mesa Verde’ in hoofdstuk IV.

Vanwege gebruik en dominantie van rationele modellen is het niet gek dat betekenis van niet-rationele groepsverbanden, die tot uitdrukking komt in verbondenheid – wat zich nauwelijks laat expliciteren –, is gesleten. Het duurt even voor dat zichtbaar wordt, effecten treden niet onmiddellijk op. Criminaliteit is in Nederland scherp gaan stijgen na het vijfde jaar no-nonsensebeleid – omstreeks 1987 – en is blijven stijgen. In dagbladen lezen we dat de overheid naar de Verenigde Staten als voorbeeld kijkt of daar deskundigheid inhuurt om te proberen het op een Amerikaanse manier op te lossen. De ingehuurde deskundigen die de regering adviseren, verbazen zich erover dat politie en justitie zich als doel hebben gesteld de criminaliteit terug te dringen, er veel geld voor hebben uitgetrokken en dat het tegenovergestelde is gebeurd. Ze zeggen niet te weten hoe dit fenomeen te verklaren is! Wat zegt dit over het paradigma waarin ze zelf staan?

3.3.5 Herkenning van stavolutie

In het leven van alledag krijgen eenmalig waargenomen verschijnselen meestal geen betekenis.Eenmalige verschijnselen die een toestand veranderen en van veel betekenis zijn, blijven ons bij. We noemen dat een gebeurtenis. We gaan er hier niet verder op in. We geven betekenis wat we als patroon herkennen én als propositie of conceptie kunnen benoemen. Naarmate onze sensibiliteit groter is, kunnen we complexere samenhangen zien, die als patroon onderscheiden en daaraan een propositie verbinden. Ons verstand moet dan helpen om mogelijke samenhang tussen waargenomen verschijnselen te ontdekken. Naarmate iemand volkomen sensibiliteit dichter nadert, zal hij meer en ingewikkelder patronen herkennen: hij kan betekenis van die patronen in en voor entiteiten uit de omgeving invoelen.

Gebruikelijk is dat je een ontwikkeling pas verwoordt als een leidend beginsel aan een patroon is toe te wijzen en je het proces dat ertoe geleid heeft, achteraf beschrijft. Je schetst een evolutie en laat zien hoe in het verleden patronen in verschillende omstandigheden zijn ontstaan. Biologen doen dat. Zij beschrijven vormen van leven en het ontstaan daarvan.

In elke omgeving kunnen patronen worden waargenomen. De vraag is of we die patronen ook waarnemen en betekenis geven overeenkomstig de betekenis die ze hebben en krijgen als we niet aanwezig zouden zijn. Stel dat we in een omgeving een patroon herkennen. Als je ervaart dat dit patroon zich handhaaft of versterkt, in de vorm dat nieuw in de situatie tredende entiteiten zich voegen naar of passen in dit patroon, zich verbinden met entiteiten in de vigerende situatie zonder dat het patroon wordt aangetast, dan ervaar en doorgrond je het patroon als ‘de definitie van de situatie’. Het patroon is herkenbaar in de dynamiek van de omgeving. Deze dynamiek is referentiestelsel. De definitie van de situatie is de herkenbare betekenis die de omgeving geeft aan verschijnselen waarvan de entiteit zelf deel uitmaakt.

We zullen proberen aan de hand van voorbeelden het ontstaan van patronen in alledaagse omstandigheden te beschrijven en de betekenis die deze patronen in de omgeving hebben en in onze ervaring krijgen, ermee te verbinden. De beschrijving die zo ontstaat, legt verschillende definities van de situatie vast.

3.3.5.1 Stavolutie in het leven van alledag

De ouders van Marijke

De 83-jarige vader van Marijke kreeg een hartinfarct. Tot die tijd had hij zijn demente vrouw verzorgd, maar dat was daarna niet langer mogelijk. Toen hij in het ziekenhuis werd opgenomen, moest op stel en sprong een oplossing worden gezocht: zijn vrouw werd in een verpleeghuis opgenomen.

Na een maand kon vader het ziekenhuis weer verlaten. Hij had rust nodig, maar herstelde goed. Hij wilde zijn vrouw een poosje niet zien. Na verloop van tijd werd dat gevoel minder en ging hij haar weer opzoeken. Zij was blij als ze hem zag en verdrietig als hij vertrok. Zo ging het ook als haar dochters langskwamen. Elk vertrek was daardoor afschuwelijk en elke binnenkomst een groot genoegen. Maar hoe moet je vreugde en verdriet van een dement persoon waarderen? Demente mensen beleven emoties op het moment zelf en er blijft geen herinnering achter.

Vader kon slecht tegen het leed dat hij bij elk vertrek veroorzaakte. Hij vroeg zich af of hij zijn vrouw elke dag zou bezoeken of af en toe. “Ze herinnert zich toch niet dat ik geweest ben, dus daarvoor hoef ik het niet te doen.” De vraag leidde tot discussie. Zijn dochters stelden zich dezelfde vraag, maar dan voor eenmaal in de week. Marijke vond dat haar vader elke dag haar moeder moest bezoeken en dat ze zelf elke week zowel naar haar vader als haar moeder moest gaan. Haar zus vond dat niet nodig en ging af en toe.

Vader was zeer aan zijn vrouw gehecht, hield van haar, maar had de eerste weken een steuntje in de rug nodig. Hij moest er zich toe zetten bij haar langs te gaan. Hij organiseerde het zo dat hij elke dag tegen een uur of vier ging en dan bleef tot het eten. Na enkele weken was een patroon ontstaan: hij had zijn dagen zo ingericht dat het vanzelfsprekend was dat hij ging. Het dagpatroon hielp hem. Als hij niet zou gaan, zou er een gat in zijn dagindeling vallen dat hij dan moest zien te vullen. Ook bij Marijke ontstond na verloop van tijd zo’n patroon. Ze ging elke zaterdag, tenzij het thuis een enkele keer niet uitkwam: dan ging ze op een andere dag.

Vaders bezoeken werden langer. Vrienden en kennissen haakten af, maar vader belde hen en vroeg of ze wilden blijven komen. Het verblijf in het verpleeghuis werd voor vader gewoon. Hij vroeg zich af wat hij kon doen, vroeg de verpleging hoe het ging. Dat gold ook voor de dochters. Ze ontmoetten andere bezoekers die er op dezelfde momenten waren. Er ontstonden groepjes van bezoekers die elkaar kenden en elkaar informeerden over wat in het tehuis gebeurde. Soms bleven ze mee-eten. De betrokkenheid van de bezoekers veranderde de sfeer.

Na een paar maanden nam Marijke haar moeder mee naar het huis van haar ouders. Ze aten met zijn drieën en Marijke bracht haar daarna terug. Het was hartverscheurend om haar te verlaten, maar moeder vergat haar verdriet. Het was maar een moment en daaraan hielden ze zich vast. Op zondag ging vader soms tweemaal: hij nam zijn vrouw mee naar de kerk, bracht haar terug en ging haar ‘s middags weer bezoeken.

Vader kende geleidelijk alle patiënten. Hij had aandacht voor hen en nam taken over van verpleegkundigen die dan wat anders konden doen. Ze beschouwden hem als een bekende. Geleidelijk gingen de bezoeken aan zijn vrouw een steeds belangrijkere rol in zijn leven spelen. Als je hem sprak, beschreef hij wat hij deed in termen van bezoeken aan zijn vrouw. Wat hij voor haar en in het verpleeghuis kon doen, bepaalde zijn leven. Hij kon zijn eigen leven niet meer beschrijven en inhoud geven buiten wat hij daar deed en meemaakte.Dit is een voorbeeld. Dat het ook anders kan gaan, doet er hier niet toe. Dat komt verderop aan de orde.

Voor Marijke lag dat anders. Zij had naast het bezoek aan haar ouders op zaterdag zoveel andere activiteiten die haar leven zin en betekenis gaven, dat de bezoeken en de ervaringen daarin haar leven niet beheersten. Maar het hartverscheurende verdriet van haar moeder na elk bezoek bleef haar achtervolgen. Volgens de leiding van het verpleegtehuis moest ze dat feit als gegeven aanvaarden, maar ze had er geen vrede mee. Ze vroeg zich af of de overgang voor haar moeder niet te groot was geweest. Ze was tenslotte uit haar huis gehaald en haar bezit was teruggebracht tot wat in een nachtkastje kon. Toen het mogelijk werd haar moeder in een huis onder te brengen waar ze een eigen kamer had en deel uitmaakte van een kleine groep, greep ze die kans, tegen de mening van haar vader en zusje in.

Nu, enkele maanden later, is er geen hartverscheurend afscheid meer. Moeder voelt zich kennelijk niet meer verbannen. Ze heeft een eigen huisje waarin ze bezoekers ontvangt. In haar kamer heeft ze een deel van haar spullen die eerder thuis waren achtergebleven. Het verplegend personeel is anders: het zijn moeders die een poosje weg zijn uit hun eigen gezin en samen met de verpleegden zelf het huishouden bestieren.

Wie dit verhaal leest, herkent het wellicht als één van de vele verhalen over demente bejaarden en hun familie die vol zorg achterblijft. Het naargeestige beeld van een verpleeghuis met mensen in de nadagen van hun leven die hun decorum hebben verloren, komt in het verhaal slechts indirect langs, maar is het schrikbeeld van iedereen die er ooit geweest is. Het gaat hier echter om iets anders, namelijk om een beschrijving van wat ontstaat. Het verhaal over de vader ziet er dan als volgt uit:

Noem V het verschijnsel dat vader zijn vrouw bezoekt. Het bezoek is – naast de fysieke gebeurtenis – ook een manifestatie van verbondenheid met zijn vrouw. Die verbondenheid is wezenlijk: als hij niet aan zijn vrouw gehecht zou zijn, was hij er – zeker in het begin – niet heengegaan en zou hij het stadium van herhalen niet bereiken, laat staan het stadium van handhaven. Het is denkbaar dat hij gaat uit plichtsbesef – vanwege een norm die hem dwingt te gaan – en niet vanuit verbondenheid. Ook dan zal het hierna beschreven patroon kunnen ontstaan. Wellicht dat sommigen dat minder mooi vinden, maar het aardige van normen kan juist zijn dat ze mensen helpen iets te doen, een duwtje geven. Als verbondenheid of norm wordt genegeerd, wordt een essentie weggelaten die in de definitie van de situatie is besloten. Er ontstaat dan een beschrijving die niet representatief is voor de realiteit.

Stadium 1: V herhaalt zich in de vorm dat vader elke dag zijn vrouw bezoekt. In zijn verbondenheid wil hij gaan, maar als die te zwak is, helpt of dwingt zijn plichtsbesef hem. Ook zijn dochter helpt hem in dit stadium te blijven gaan.

Stadium 2: Na enkele weken volgt de vader een dagelijks patroon, waarin het bezoeken van zijn vrouw een vanzelfsprekende activiteit is geworden: het patroon helpt hem op bezoek te gaan. In het dagelijkse patroon heeft V een plaats gekregen. V handhaaft zich.

Stadium 3: Vader ontwikkelt een waarneembaar patroon dat anderen op het idee kan brengen ook te gaan. Ze bellen hem op om te informeren. Zij zullen gaan afhankelijk van hun verbondenheid en contact met vader. Moeder bezoeken wordt een vehikel om met elkaar contact te houden, het schept wisselwerking, schept een toestand waarin het vader gemakkelijker valt te gaan. Daarnaast zullen bezoekers van het tehuis elkaar leren kennen, een band met elkaar krijgen. Het aantal verbindingen met anderen, het aantal verschijnselen dat geassocieerd wordt met ‘moeder bezoeken’ neemt toe. Het helpt allen op bezoek te gaan. Verschijnsel V dat zich eerst herhaalde, zich toen in de omgeving kon handhaven, wordt robuuster, groeit. Treedt deze toestand niet op, dan zal het vader en dochters moeilijker vallen te blijven gaan. Zonder dit patroon kan het proces van stavolutie doorzetten, maar het is minder robuust en dus kwetsbaarder. De stavolutie kan gemakkelijk afbreken.

Stadium 4: Vader gaat vaker of langer, gaat zich met anderen bezig houden, blijft eten in het verpleeghuis. Hij neemt zijn vrouw soms mee naar de kerk. Zijn dochter neemt hen mee naar hun eigen huis. Inhoud en vorm van de bezoeken veranderen. Het wordt ‘samen iets doen’. Vader gaat aan zijn bezoeken een betekenis verbinden vanuit zichzelf: hij vindt sommige dingen prettig, hecht zich aan bepaalde verpleegkundigen en bezoekers, praat er met eigen vrienden over of verbaast zich dat hij bepaalde mensen niet meer hoort. Hij gaat om andere, hem motiverende redenen, het verpleeghuis bezoeken. Verschijnsel V varieert.

Dit stadium hoeft niet in deze vorm op te treden. Het kan bijvoorbeeld worden afgedwongen door zijn dochter die druk uitoefent om te gaan. Als dit stadium niet optreedt, zal het aankomen op de wil van bijvoorbeeld Marijke haar vader te gaan helpen, anders blijft de stavolutie in dit stadium hangen of breekt af.

Stadium 5: De aanwezigheid van vader in het verpleegtehuis heeft een andere toestand geschapen. Als hij er is, rekent de verpleging erop dat hij hen werk uit handen neemt. Hij zorgt voor gezelligheid, verandert de sfeer. Hij honoreert de verpleegkundigen die ervaren dat hun werk niet alleen moeder betreft, maar de hele familie en dat ze daarin worden gerespecteerd. Het wordt voor iedereen mogelijk andere dingen te doen: V differentieert.

Stadium 6: Vaders leven heeft een nieuwe definitie gekregen: verschijnsel V dat eerst op zijn dagindeling inbrak, is tot een nieuwe verzelfstandigde betekenis geëvolueerd die een basis vormt voor een nieuwe invulling van zijn leven. De omgang met zijn vrouw, zijn aanwezigheid in het verpleegtehuis is vertrekpunt geworden bij alles wat hij doet. Verschijnsel V is geanimiseerd: heeft een ziel gekregen, is op zichzelf in de omgeving komen te staan van waaruit andere verschijnselen te duiden zijn en een nieuwe stavolutie mogelijk wordt.

Natuurlijk hoeft het zo niet te gaan: allerlei interventies kunnen de ontwikkeling van de stadia vroegtijdig afbreken. De robuustheid van de ontwikkeling is sterk afhankelijk van het feit of alle stadia voorkomen. Als dat niet het geval is, is de voortgang van de stavolutie afhankelijk van de wil van één of enkele partijen: het proces ontstaat dan op basis van hun energie en construerend vermogen, waarbij het gemakkelijk kan afbreken of imploderen.

In het verhaal is de overgang van moeder naar een ander tehuis een interventie die een patroon doorbreekt. Marijke nam waar dat haar moeder in het eerste tehuis niet in een proces van stavolutie stond. Zij begreep dat de definitie van de situatie moest worden veranderd. Haar interventie veranderde niet de definitie van de situatie voor haar vader, maar wel voor haar moeder. Hierna is alles gemakkelijker en plezieriger geworden. Moeder voelt zich thuis en is op haar gemak. De woorden ‘thuis’ en ‘gemak’ staan dan voor een proces van stavolutie dat zij in haar nieuwe omgeving doormaakt. Het is denkbaar dat het met moeder nu zo goed gaat, dat bezoekers in de verleiding komen niet meer te gaan, omdat de zingeving van hun bezoek ogenschijnlijk is veranderd: zonder hun komst lijkt zij ook tevreden. Voor vader is zo’n stap lastig, omdat het bezoek in zijn dagelijks patroon is ingebouwd, maar voor zijn dochters kan zo’n gedachte gemakkelijk opkomen. De liefde voor hun moeder en de betekenis die hun bezoek voor haar en daarmee voor hen heeft, is vormgevend naast andere belangrijke activiteiten in hun leven: hun bezoeken geven hun verbondenheid met moeder of hun plichtsbesef weer.

Het lijkt onmogelijk dat het bezoek van Marijke zich verder kan ontwikkelen dan stadium 5. Voor haar zijn er bovendien twee verschijnselen V: zij bezoekt op zaterdag zowel haar vader als haar moeder. Die bezoeken zijn aan elkaar gekoppeld – geven elkaar betekenis – en zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. Daarvoor zijn de verschijnselen al gauw te ingewikkeld. Haar bezoeken aan beide ouders zullen wel apart waarneembaar zijn, maar zullen vermoedelijk nooit het stadium van animiseren bereiken, omdat haar bezoeken passen in een complex geheel van al haar activiteiten.

3.3.5.2 Stavolutie als grondslag van beleid

In grote westerse steden is criminaliteit na de Tweede Wereldoorlog sterk toegenomen. Lange tijd was het beleid om pas in te grijpen bij forse overtredingen. Nu is men tot het inzicht gekomen dat elke kleine overtreding zo vroeg mogelijk moet worden waargenomen en bestraft. Dit wordt verbeeld door de metafoor: als een ruitje breekt, zet je er gelijk een nieuw in. Omdat het beleid voor het eerst in New York werd toegepast, wordt het repairing broken windows genoemd.

Repairing broken windows

In politiekringen is het inzicht gegroeid dat het beleid van reparing broken windows zinvol is, omdat er geen patroon kan ontstaan: zodra een drugsverslaafde een radio uit een auto haalt en er geld voor krijgt om drugs te kopen, kun je zeggen dat hij zich vanwege zijn verslaafdheid zo gedraagt. Doe je er niets aan, dan zal hij het blijven doen: verschijnsel V – het stelen van een radio uit een auto – herhaalt zich. De drugsverslaafde zal zijn dag zo inrichten dat hij als vanzelfsprekend op pad gaat om een radio te stelen: verschijnsel V handhaaft zich. Hij komt in aanraking met helers en anderen die ook zo leven, neemt nog meer drugs, gaat vaker op pad: V groeit. Hij merkt dat de heler ook geïnteresseerd is in andere spullen. Wat hij steelt, kan hij kwijt. Als hij eenmaal een auto open heeft, kan hij kijken wat er nog meer te halen is. Hij steelt kleding, tassen en wat er zoal nog meer te pakken is en ontvangt daarvoor geld. Hij gaat met en bij anderen na hoe zij het doen. Het openen van sommige merken auto’s wordt zijn specialiteit. Het stelen uit auto’s heeft een andere betekenis voor hem gekregen: verschijnsel V varieert. Inmiddels zijn z’n diefstallen niet onopgemerkt gebleven: mensen laten niets meer in hun auto liggen, zetten hun auto ergens anders neer; in sommige buurten wordt meer gesurveilleerd. De verslaafde wordt gedwongen zijn werkgebied te vergroten en gaat eens kijken of hij ook bijvoorbeeld in woningen of bedrijfspanden iets kan stelen: V differentieert. Het stelen is volstrekt vanzelfsprekend geworden en los komen te staan van de verslaving: de persoon is in eerste instantie dief en in tweede instantie verslaafde. Het stadium van animiseren is bereikt.

We zijn in dit voorbeeld uitgegaan van een ‘vitale’ verslaafde. De kans dat het stadium van animiseren niet wordt bereikt, is voor dakloze, zwaar verslaafden erg groot.

Wanneer de omgeving ingrijpt in de ontwikkeling van de drugsverslaafde, is afhankelijk van de gehanteerde norm: als pas wordt ingegrepen bij crimineel gedrag, dan heeft de samenleving al heel wat narigheid ervaren. Om criminalisering te voorkomen, moet zo vroeg mogelijk worden ingegrepen. Relevante vragen daarbij zijn: wat kan een politieman waarnemen, bij welke handeling moet hij ingrijpen en hoe, wat is de norm en wat zal het publiek accepteren, wat kan het publiek doen ter voorkoming van criminalisering?

Als de politie aanvankelijk tolerant met kleine overtredingen is omgegaan en bij het publiek het beeld heerst dat de politie hiertegen niet optreedt, is het denkbaar dat het publiek de norm die past bij het beleid van vroegtijdig ingrijpen als vervreemdend – als breuk in het beleid – ervaart. Er ontstaat dan een patroon met als verschijnsel V: de politie treedt niet op bij kleine overtredingen. Dat patroon ontwikkelt zich in de eerder genoemde stadia van handhaven, groeien, variëren, differentiëren en animiseren. In het stadium van animiseren zal het publiek de politie een gedrag toedichten dat gekenmerkt wordt door uiterste tolerantie. Het veranderen van zo’n patroon zal worden gezien als interventie van de politie in de publieke ruimte. De burger is immers gewend geraakt aan de patronen die de politie hanteerde. Vroegtijdig ingrijpen zullen velen ervaren als gebrek aan tolerantie of als belediging.

Algemeen: elke breuk in beleid roept aanvankelijk groot verzet op, dat theoretisch gezien geleidelijk zal afnemen zodra weer een patroon ontstaat dat burgers na verloop van tijd zullen herkennen. Maar wat kun je praktisch verwachten? Repairing broken windows roept maatschappelijke weerstand op, omdat het is gebaseerd op politie-interventies die burgers allang niet meer associëren met optreden van de politie. De benadering herstelt niet de massale fijnmazige interventiekracht van burgers naar elkaar bij kleine overtredingen en eist daarom een politie die voortdurend intervenieert en stavolutie die leidt tot criminalisering kan herkennen. Dat is bij criminaliteit op forse schaal onhaalbaar voor elke politiedienst en zal leiden tot vervreemding tussen burgers en politie, hoe goed de bedoeling ook is.

3.3.5.3 Stavolutie in marktontwikkelingen

Internet is een toepassing van computers en communicatietechnologie waarbij mensen elkaar op verschillende (nieuwe) manieren informeren. Het valt op dat denkbare mogelijkheden als realiteit gezien en gebruikt worden.

In een internetomgeving is een verschijnsel V: het verzenden van een bericht via een computernetwerk. Dat verschijnsel V heeft zich herhaald en is al zo’n 30 jaar waar te nemen. Het heeft het stadium van handhaven bereikt: het is in veel omgevingen deel geworden van een patroon dat in andere schema’s is geïntegreerd. Dat wordt gemarkeerd door Microsoft die Explorer heeft opgenomen als standaardonderdeel van Windows. We zien dat het stadium van groei inmiddels is bereikt en overgaat naar het stadium van variatie: wat is voor mij eigenlijk de betekenis van internet? Het is de vraag of en hoe internet verder zal evolueren.

Wie de voorspellingen over internet kent, ziet dat het ontwikkelingstempo is overschat. Stadia 4 en 5 worden niet gezien en over stadium 6 wordt gesproken als een realiteit van met elkaar verbonden systemen die de bestaande infrastructuur zouden doen verbleken. In die nieuwe infrastructuur zouden mensen zich – zowel zakelijk als privé – overal via hun computers met ieder ander, waar ook ter wereld, kunnen verbinden. Die tijd kan komen, maar of ze komt weten we niet, en ze kan niet komen zonder het doorlopen van de stadia van variatie en differentiatie. Het zal ook nog wel even duren eer stadium 4 herkenbaar is ontstaan. Het zal, zo mag je verwachten, leiden tot groepen die een eigen betekenis geven en eigen vormen ontwikkelen voor het gebruik van internet. Er zullen eerst nog allerlei intranetten ontstaan. Het is moeilijk een omgeving voor te stellen waarin de huidige openheid van internet zal voortbestaan.Een toekomstbeeld over internet verschilt per persoon en is afhankelijk van de vormen van betekenis die iemand met waarnemen verbindt. Toekomstscenario’s over internet of ICT zijn geen onderwerp van dit boek.

Stavolutie is in de economie en marketing een bekend verschijnsel. Zo geldt in de economie de ‘wet van afnemende meeropbrengst’: de wet van Marshall. Deze wet zegt dat mensen aan de eerste bevrediging van een behoefte het grootste gewicht geven, dat daarna afneemt. Als die stelling wordt vertaald in het ontstaan van patronen, zegt ze: men ervaart het optreden van een nieuw verschijnsel als het grootste verschil ten opzichte van de bestaande situatie waarin het verschijnsel nog niet eerder optrad. Bij herhaling verandert de omgeving door het verschijnsel en neemt de impact steeds verder af. In het geanimiseerde stadium is het een normaal verschijnsel geworden.

In marketing heeft stavolutie een ander beeld: vanuit een bedrijf gezien ontstaat een curve waarin een product ontstaat, wordt afgenomen door klanten (1), zich handhaaft in de markt (2); de afname van het product groeit geleidelijk (3), er ontstaan productvarianten (4), de omgeving verandert en de betekenis van het product daarin (5), waarna het product op een bij de omgeving passend niveau in een of andere geaccepteerde vorm blijft bestaan (6).

3.3.6 Stavolutie en het paradigma dat ermee verbonden is

Dewey’s vertrekpunt was het doorbreken van de hegemonie van natuurfilosofische beschouwingswijzen. Hij meende dat menselijke rationaliteit leidde tot onmenselijke irrationaliteit.Zoals Biestra opmerkt in zijn dissertatie over Dewey. Het is dan verbluffend om te zien hoe hij uiteindelijk uitkomt bij een zienswijze waarin hij de dominantie van menselijke rationaliteit nog verder uitbreidt en (de rol van) emotie marginaliseert.

Luhmann – zoals in hoofdstuk II besproken – ging uit van een evolutionaire benadering die hij rationeel uitwerkte. Hij weigerde het wetenschappelijke paradigma te relativeren. Het resultaat is een beschrijving over waarnemen dat geheel door denken en rationaliteit is gedomineerd. Zijn voorbeelden gaan over mensen die rationeel handelen. Het evolutionaire aspect in die voorbeelden is moeilijk boven water te halen.

Bij Dewey en Luhmann is de invloed terug te vinden van een evolutionaire theorie zoals Darwin en Wallace die als eersten uitbrachten. Maar zowel Luhmann als Dewey reduceren evolutie tot de vorm van een entiteit en de fysieke ontwikkeling ervan die evolutionair tot stand komt. Hoe zo’n evolutie verloopt, welke stadia zijn waar te nemen, hoe een evolutie kan stapelen en kan leiden tot steeds complexere entiteiten – dit alles wordt genegeerd.

Dat kan ook niet anders als je menselijke rationaliteit laat domineren en het wetenschappelijke paradigma als vertrekpunt kiest, want binnen dat paradigma kan een evolutie niet worden geregistreerd volgens een ordening zoals Von Hartmann die beschreef. Binnen het wetenschappelijke paradigma domineert een causaliteit die voor mensen verifieerbaar is. Wat niet verifieerbaar is, mag niet als basis dienen voor verder beschouwen, heeft geen betekenis. Je mag ordenen door te denken, je moet zoeken naar generaliseerbare ordeningen. Je mag je niet overgeven aan een proces van wisselwerking waarin bij voorbaat elke uitkomst er toe doet en een selectie is uit vele mogelijkheden.

Maar juist de selectie die ontstaat en niet een andere, zegt iets over de definitie van de situatie. In die selectie, juist die, zit de betekenis die de omgeving geeft en niet de betekenis die ik vanuit mijzelf of vanuit mijn denken geef. Het wil zeggen dat elke selectie zal verschillen in een realiteit die voortdurend verandert. Daarmee is zo’n beschouwing niet plaatsbaar binnen het vigerende wetenschappelijke paradigma.

In de geschiedenis van de filosofie herken je pogingen om de wereld vanuit ons denken te beschrijven, te begrijpen en te ordenen. De dominantie van de menselijke geest bereikt haar hoogtepunt in een denken waarin object en subject tegenover elkaar worden geplaatst. Het object staat voor een waarheid of voor waar gehouden orde, die door een subject gekend kan worden. De hoop was gevestigd op het bestaan van een absolute orde die gekend kon worden, voor mensen toegankelijk zou zijn en waarmee ze in staat zouden zijn verschijnselen uit andere verschijnselen te verklaren. Gödel liet zien dat dit voor de wiskunde ijdele hoop is: hij bewees dat er in de wiskunde geen ordeningen bestaan die alles kunnen oplossen en verklaren. Je kunt zijn stelling gemakkelijk generaliseren. Dan volgt de uitspraak: er bestaan geen absolute ordeningen in de realiteit waarmee je alle mogelijke optredende verschijnselen kunt verklaren.

Dewey en Luhmann representeren de acceptatie van die stelling.Maar bijvoorbeeld ook Heidegger, Wittgenstein en Rorty. Zij hebben zich neergelegd bij het feit dat de realiteit wordt gekenmerkt door voortdurende veranderingen waarin verschijnselen niet expliciteerbaar met elkaar in verband te brengen zijn. In de realiteit heerst dynamiteit: toestand van voortdurende verandering waarin verschijnselen niet expliciteerbaar met elkaar in verband kunnen worden gebracht. De door de mens gedachte vorm van causaliteit is slechts een verschijnsel, maar niet de basis van ordening. Selecties zijn verschijnselen die ontstaan. In een selectie herken je de betekenis die de omgeving geeft. In de realiteit ontstaat samenhang van selecties in patronen. Een samenhangend geheel van patronen, die ieder op zich weer als samenhangend geheel van selecties worden opgevat en zich in wisselwerking met de omgeving handhaven en evolueren zijn stelsels. Een entiteit is een specifieke vorm van een stelsel, zoals die bepaalde cel, die plant, dat dier, die mens, die groep, die organisatie. Een gedachte ordening waarin optredende verschijnselen met elkaar worden verbonden en als een geheel te herkennen zijn, is een conceptie. Realiteit, dynamiteit, selectie, stelsel, entiteit, conceptie horen bij elkaar. Het begrip organiseren is met deze set verbonden. Met deze manier van kijken gaat het begrip ‘systeem’ zoals Luhmann dat gebruikte, over in ‘stelsel’.

Daarmee is de overbelasting van het begrip systeem – dat zowel in de Angelsaksische als de Luhmaanse systeembenadering gebruikt werd – verdwenen. ‘Stelsel’ staat in bovengenoemde set begrippen bovendien in een context die past bij het begrip ‘evolutie’ zoals Luhmann dat gebruikte.

Mensen zijn in staat de realiteit in zichzelf te denken en die naar eigen ideeën en wensen in te richten. Wij reduceren de toestand van dynamiteit in dynamiek: toestand waarin verschijnselen voortdurend veranderen, maar verondersteld worden ten opzichte van elkaar te expliciteren zijn, uit het optreden van elkaar verklaard kunnen worden. Mensen reduceren de realiteit tot een werkelijkheid. Werkelijkheid is in zichzelf gedachte realiteit. Het is realiteit zoals iemand die meent waar te nemen en ervaart. De door de mens gedachte vorm van samenhang tussen verschijnselen waarbij het ene verschijnsel uit het andere wordt verklaard – causaliteit – domineert daarin. Een systeem representeert een geheel dat zich onderscheidt van en in de omgeving, waarbij wordt verondersteld dat verschijnselen die optreden uit elkaar te verklaren zijn. Een systeem is opgebouwd uit elementen die ook weer als systeem kunnen worden opgevat. De samenhang wordt vastgelegd in een concept. Werkelijkheid, dynamiek, element, systeem, object, concept horen bij elkaar.

Met deze begrippen wordt het gemakkelijker Dewey en Luhmann te plaatsen. Zij wilden de realiteit beschrijven, maar gebruikten begrippen die impliciet verbonden zijn met een werkelijkheid. Zo werden ze ‘gedwongen’ ervan te blijven uitgaan dat verschijnselen in principe aan elkaar te relateren zijn volgens een door mensen gepercipieerde causaliteit. Nu kan geen mens ontsnappen aan het feit dat alleen vanuit een werkelijkheid realiteit kan worden benaderd. Maar het verschil tussen beschrijvingen over realiteit met de begrippen uit de eerste en de tweede set is, dat je bij gebruik van begrippen uit de eerste set erkent dat relaties tussen verschijnselen in bijzondere omstandigheden – onder bepaalde voor jou waarneembare zich herhalende condities – expliciteerbaar zijn en anders niet. Het zijn selecties. Het maakt een vorm van beschouwen mogelijk waarin je je overgeeft aan de realiteit en jouw werkelijkheidsdefinities gebruikt om te beschrijven wat je overkomt, hoe je betekenis herkent, wat een selectie jou onthult over betekenis die ontstaat.

3.3.7 De achterkant van duurzaamheid

Het verschil tussen dynamiteit en dynamiek en de ermee geassocieerde begrippen, markeren de problematiek die gelabeld wordt met het woord ‘duurzaamheid’. We ervaren dat een benadering vanuit het begrip dynamiek ertoe heeft geleid dat we realiteit zover reduceren, dat allerlei entiteiten niet meer kunnen ontstaan of voortbestaan. We hebben de wereld geordend naar wat wij van betekenis achten en hebben ondergewaardeerd, niet herkend en gerespecteerd hoe een selectie een representatie is van betekenis die ontstaat. Bij herkenning dat een selectie betekenis is die de omgeving geeft, ziet een milieuprobleem er anders uit.

De korenwolf

In termen van dynamiek is de korenwolf een zeldzaam diertje dat beschermd moet worden en waarvoor bouwactiviteiten moeten worden opgegeven om te voorkomen dat het uitsterft. In termen van dynamiteit is het beestje een selectie die herkenbaar maakt dat er ergens nog een gebiedje is waar zo’n diertje kan bestaan. In termen van dynamiteit moeten we niet alleen het beestje sparen, maar ook het gebied en de omstandigheden waarin het nog kan bestaan. De overgang van ‘diertje’ op ‘omgeving van het diertje’, maakt het niet meer mogelijk te suggereren dat een dierentuin een oplossing is voor behoud van variëteit of het bewaren van de genen van het beestje om het later te kunnen construeren. Het niet meer bouwen op de plek waar de korenwolf voorkomt, vloeit voort uit het beschermen van een omgeving die nog veel meer te bieden kan en zal hebben dan alleen de korenwolf, maar iets wat we kennelijk nog niet hebben gezien of niet meer zien.

We nemen waar dat allerlei mensen het begrip duurzaamheid gebruiken om in een toestand van dynamiek doelen te stellen, gericht op handhaving van omstandigheden die zij prettig vinden. Duurzaam wordt dan bijvoorbeeld: geen herrie rond Schiphol, geluidswallen langs snelwegen, filters op afvoeren om geen stank te hebben, algemeen: geen vervuiling. We zien ondernemingen het begrip gebruiken voor milieuvriendelijkere oplossingen en voor het minder gebruik maken van natuurlijke bronnen. Als je zo bezig bent, blijf je vanuit jezelf betekenis geven aan verschijnselen en kun je in omgevingen blijven interveniëren. Efficiency is dan te zien als een duurzaamheidsprogramma dat ook nog geld oplevert. Maar het verhult de echte problematiek: namelijk respecteren van omstandigheden waarin iets kan ontstaan, herkennen van betekenis die in selecties is vormgegeven. Het gaat erom selecties te kunnen relateren aan omgevingen waarin ze ontstaan; om sensibiliteit, niet om rationaliteit.

Bij gebruik van de tweede set waarin werkelijkheid, dynamiek en systeem de centrale begrippen zijn, is het onmogelijk sensibiliteit te ontwikkelen die past bij de eerste set waarin dynamiteit, selectie, stelsel en entiteit centraal staan. Het is de achterkant van duurzaamheid die verborgen bleef vanwege begrippen en paradigma’s die eeuwen lang hebben gedomineerd.