1 Over iconen van onze tijd

Dit hoofdstuk in het kort

In de 20e eeuw is onze wereld ‘klein’ geworden. We zijn snel op de hoogte van rampen en hoogtepunten die mensen overal ter wereld meemaken. Tegelijkertijd zijn we meer dan ooit geïnteresseerd in wat in onze directe omgeving gebeurt. Maar we lijken steeds minder met elkaar gemeen te hebben; idealen en concepten lijken per persoon te verschillen. Veel ouderen ervaren deze tijd als achteruitgang: waar moet het met de wereld heen? Ze vergelijken op grond van hun ervaring. Voor jongeren ziet het er anders uit: zij hebben geen persoonlijke ervaring op grond waarvan ze kunnen vergelijken hoe het vroeger was. Ze ervaren de wereld zoals die zich aan hen voordoet. Ze hebben energie, lol en verdriet zoals jonge mensen van alle tijden.

Dit hoofdstuk beschrijft hoe mensen verschijnselen in hun leven en omgeving ervaren; hoe ze betekenis geven aan verschijnselen. Kenmerken van een orale cultuur worden besproken, en wat er bij overgang naar een geletterde cultuur minder gewicht krijgt of verdwijnt. Die geletterde cultuur valt samen met ‘het moderne’ en domineerde de westerse wereld tot ver in de 20e eeuw en bepaalt nog steeds de grondslag van instellingen en organisaties zoals we die in het westen kennen. Het moderne vindt zijn basis in kunnen lezen en schrijven: we leggen ons denken vast en kunnen dat van anderen teruglezen. We kunnen hierdoor abstraheren, zaken uit hun context halen.

Fotografie en film kwamen rond de vorige eeuwwisseling op. In 1950 was er televisie. Mensen gingen de wereld anders zien. Er ontstond een cultuur waarin mediale verbeelding van verschijnselen zo getrouw leek op het persoonlijk beleven van verschijnselen, dat realiteit en verbeelding in elkaar overliepen. Het zoeken naar algemeen geldende concepten, het toepassen van algemene regels en modellen op heel verschillende mensen en situaties – wat sterk met het moderne is verbonden – verdween. We zagen indelingen van samenlevingen op grond van ideologieën en concepten verdampen. Belezen zijn, gestudeerd hebben, kreeg minder betekenis, beleven en ervaren des te meer. Het lokale, het specifieke, het emotionele, alles wat dicht bij mensen staat, kreeg steeds grotere betekenis onder invloed van mediale verbeelding. Kenmerken van een orale cultuur kwamen terug, maar in andere vormen.

In dat verband zijn we begrippen als postmodernisme en virtual reality gaan gebruiken. Postmodernisme is goed te begrijpen vanuit de overgang van een geletterde cultuur naar een cultuur waarin mediale verbeelding domineert. Virtual reality is vooral verbonden met de explosie van informatietechnologie die zich parallel aan de ontwikkeling van mediale verbeelding heeft voorgedaan. Technologie in de 20e eeuw heeft het mogelijk gemaakt dat mensen in de westerse wereld denken dat ze in een virtuele wereld leven en zich kunnen onttrekken aan de natuurlijke ordening van verschijnselen. Maar virtual reality is iets van alle tijden.

De wereld lijkt maakbaar geworden. We kunnen inmiddels de genetische grondslagen van leven manipuleren. Maar zelfs dat fenomeen heeft de manieren van organiseren die in de loop van de tijd zijn ontstaan niet erg veranderd. Het heeft wel aanleiding gegeven om onze manieren van organiseren tegen het licht te houden. We zien dan dat vormen van organiseren die verbonden waren met het moderne, hun regelend vermogen verloren lijken te hebben in een cultuur die door televisie, door beelden, gedomineerd wordt. Hoe we verschijnselen ervaren en betekenis toekennen, hoe betekenis verbonden kan worden met waarnemen en organiseren, zijn meer dan ooit fundamentele vragen.

1.1 Iconen van vooruitgang in onze tijd

Ik ben een kind van de 20e eeuw. Maar wat zegt dat? De omstandigheden waarin iemand aan het begin van die eeuw geboren is, of in het midden of aan het eind zijn zo verschillend. En omstandigheden zijn erg bepalend voor de wijze waarop iemand opgroeit en voor wat hij meekrijgt: mensen staan in wisselwerking met hun omgeving.

Ik ben van 1940. Van de oorlog weet ik nog dat ik wegkroop achter de bank naast mijn moeder toen er bommenwerpers overvlogen. Ik herinner me dat ik uit het raam keek en iemand zag vluchten terwijl op hem geschoten werd. Daarna is er niets meer dat aan oorlog herinnert. Ik weet nog heel goed het eerste sneetje wit brood dat ik net na de oorlog at: met boter en witte suiker. Het is het lekkerste en witste sneetje dat ik ooit gegeten heb.

Wat mij het meest is bijgebleven is de sfeer waarin ik ben opgegroeid. Ondanks de ellende van de oorlog heerste het optimisme van Anne Frank. Er leefden idealen, tot uitdrukking komend in kreten als ‘arbeid adelt’ en ‘kennis is macht.’ Het was vanzelfsprekend dat je streefde naar een betere wereld waarin mensen vreedzaam konden leven. Vooruitgangsdenken was zo algemeen dat ik me niemand uit mijn omgeving kan herinneren die een pessimistische levenshouding had. Er kwamen nieuwe apparaten die het leven een stuk prettiger maakten: de wasmachine en de koelkast. In de jaren 50 kwam daar televisie bij. Een radio hebben of aangesloten zijn op distributie was vanzelfsprekend. Een telefoon hoefde niet zo nodig: er was wel ergens een buurman bij wie je kon bellen of gebeld kon worden. Apparaten waren symbolen van vooruitgang. Aanschaf betekende dat je jouw deel van de vooruitgang kreeg. Dat de één zich dit gemakkelijker kon veroorloven dan de ander typeerde de politieke strijd: de aantallen arbeiders die zulke apparaten bezaten, markeerden de veroveringen van de socialisten op de kapitalisten. Concreter kon je politieke verschillen niet tot uitdrukking brengen.

In de jaren 60 en 70 was het – eigenlijk nogal plotseling – niet meer vanzelfsprekend dat je moest streven naar grote concepten. Op mijn studentenflat voerden we discussies over de vraag of ideeën van de kerk en je ouders over de inrichting van jouw leven nu wel als maatstaf moesten gelden; of wat jij voelde en wat er voor jou toe deed wel mocht worden genegeerd. Die strijd herinner ik me nog goed, omdat ouders mij als verdiepingsoudste vroegen of ik op hun zoon wilde passen: hij zou wel eens een bandeloos leven kunnen gaan leiden in zo’n studentenwereld vol met uitdagingen.

Hippies en flower power die via televisie en muziek de wereld veroverden, deden hun werk. Hippies werden icoon van een nieuwe tijd, waarin de zuiverheid van je gevoelens en alles wat jou gelukkig maakte het allerbelangrijkst werden. Structuur die domineert, regels stelt, vastzet, ontwikkeling van jezelf blokkeert, werd aan de kaak gesteld. Burgemeester Van Hall van Amsterdam huilend op televisie bij Mies Bouwman werd icoon van de regent die van zijn troon viel.

In diezelfde periode was ik getuige van een nieuwe benadering van organisaties. Ze werden toen gezien als levende entiteiten, zoals planten, mensen of dieren. Deze benadering werd overgenomen uit de biologie en toegepast op organisaties en vormen van leven, kortom op al die gehelen waarvan men vond dat ze tot dan toe niet goed in wisselwerking met de omgeving beschreven werden. Al wat leefde werd ‘systeem’ genoemd. Die zienswijze noemen we systeembenadering: bij beschouwen ga je uit van het samenhangend functioneren van elementen als één geheel, niet van de eigenschappen van één element uit een geheel.

In de biologie bestaan systemen uit organismen, die op zichzelf weer als systeem zijn te beschouwen. Maar zo’n benadering kan ook gebruikt worden voor gehelen waarin elementen op zichzelf geen systeem zijn. De elementen hebben dan binnen en buiten het geheel dezelfde eigenschappen. Men gebruikt dan toch het begrip systeem, maar noemt het een hard systeem. Systemen waarbij de elementen buiten het systeem andere eigenschappen hebben dan erbinnen, of waarbij de elementen buiten het systeem niet kunnen bestaan zonder de omgeving die het systeem vormt, noemt men zachte systemen.

Het gebruik van de harde systeembenadering werd gestimuleerd door de opkomst van computers. Ik heb die benadering gebruikt voor het ontwikkelen van een computersysteem in een klinisch-chemisch laboratorium, bij het introduceren van computersystemen in ziekenhuizen en later als leidinggevende van de automatisering- en informatiseringdivisie van een grote Nederlandse bank.

Het gebruik van computers werd icoon van vooruitgang in de jaren 60 en 70. Je telde mee met een rekening bij een bank of Postcheque- en Girodienst. De vakbeweging wilde de introductie van computersystemen in organisaties reguleren door te eisen dat zulke systemen alleen werden ingevoerd als het de functie van werknemers verrijkte. Dat laatste gebeurde ook: veel handelingen werden geautomatiseerd en daardoor kregen medewerkers meer taken, die elk minder handelingen vroegen. Velen ervoeren dat hun functie werd verrijkt, maar ook voelbaar werd verzwaard. Uitvalverschijnselen van medewerkers die te zwaar belast waren deden zich al snel voor.

In het begin van de jaren 80 merkte ik dat de harde systeembenadering ook steeds vaker werd gebruikt voor het inrichten van organisaties. Mensen werden dan benaderd als harde systeemelementen. Emotie werd gezien als niet-functioneel. Medewerkers kregen een andere naam: ze werden actor. Ondernemers en instellingen werden maatschappelijke objecten. Een burger werd klant die producten afnam en rationele beslissingen nam.

In Nederland is de systeembenadering breed ingevoerd. Wereldwijd bekend icoon hiervan is het poldermodel. Dat model stond voor een zachte systeembenadering, maar staat inmiddels voor invoeren van systemen en economische modellen. Emotie doet er alleen toe voor zover ze gerationaliseerd kan worden: voor zover ze ingepast kan worden in de taal en structuur van zo’n model. En waar emotie niet past, valt ze buiten het model: ze wordt onontkoombaar genegeerd of via regels ingetoomd. Dit is duidelijk te zien in de sociale wetgeving van de jaren 90. Die is volledig gebaseerd op systemen waarin computers een hoofdrol spelen en waarin mensen actor of dossier zijn. Icoon van rationaliseren en negeren van wat er voor mensen toe doet, is het aantal WAO-ers dat maar niet dalen wil.

Vertrouwen in systemen en regels en daarmee negeren wat mensen belangrijk vinden – zonder dat te (willen) zien en te herkennen – is een westers verschijnsel.Wie in China is, ziet milieuproblemen op een schaal die in het westen ongekend is. Daar kan met regels nog veel worden gedaan. In onze cultuur is de vraag juist of we momenteel met regels doorschieten, niet of we te weinig regels hebben. De uitspraak van Walter Lippmann – ooit anchorman van de Amerikaanse tv-maatschappij NBC – dat “voor elk door mensen gesteld probleem een oplossing bestaat, die tegelijk simpel is en slim en fout” werd typerend voor onze tijd.

Als je eenmaal ziet dat in de harde systeembenadering niet alle betekenis wordt meegenomen, zie je wat je eerder niet zag. Dan lees je Silent Spring (1962) van Rachel Carson. Zij maakt duidelijk dat we door technologie allerlei voordelen hebben, maar vaak niet letten op wat we bij het gebruik ervan negeren en wat we daardoor in onze omgeving vernietigen. Ik weet nog dat we thuis ddt gebruikten en dat het plotseling verboden werd. Daarna volgden een verbod op cfk’s vanwege hun invloed op de ozonlaag, en discussies over het broeikaseffect.

Gebruik van technologie en systemen wordt steeds vaker in één adem genoemd met aantasting van leven en leefklimaat. De Brent Spar die Shell in zee wilde dumpen werd niet alleen icoon van gebrek aan respect voor de omgeving, maar ook van het fenomeen dat er geen goede oplossingen bestaan voor het zonder gevolgen opruimen van wat we ooit hebben gemaakt. Dit voorbeeld wijst ons erop dat we al bij het ontwikkelen van systemen en het gebruik van technologie moeten herkennen wat van betekenis is.

Silent Spring, ddt, cfk’s en het broeikaseffect staan voor fasen van een ontwikkeling waarin we geleidelijk zien dat we negeren wat we van waarde vinden. Maar wat we negeren wordt pas serieus genomen, als het bewezen kan worden met wetenschappelijke modellen die gebaseerd zijn op benaderingen die nu juist de oorzaak van het probleem zijn. We zitten in een vicieuze cirkel die we pas kunnen doorbreken als we ons denken en doen vanuit een ander perspectief beoordelen.

Herkenning van wat we negeren bij gebruik van systemen heeft inmiddels een nieuwe fase bereikt. In 2001 brak in West-Europa mond- en klauwzeer (MKZ) uit. Niet MKZ op zich, maar de manier waarop we ermee omgaan laat zien hoe we in harde systeembenaderingen zijn beland: het ruimen van gezonde dieren, de brandstapels, afmaken van wild: dit alles gebeurt vanwege de harde systeembenadering waarin niet-rationele elementen (zoals de emotionele butsen bij betrokken boeren, de totalitaire behandeling van iedereen die dieren heeft en die moet laten afmaken, de inperking van de betekenis die leven heeft) geen betekenis krijgen. Veel mensen durven voedsel dat geproduceerd is volgens de harde systeembenadering niet meer te vertrouwen. Eerst was het gebruik van groeibevorderende hormonen bij runderen een probleem, nu heerst de gekke-koeienziekte en in verband daarmee een nieuwe variant van Creutzfeldt-Jakob bij mensen. BSE treedt spontaan eenmaal in de miljoen gevallen op, maar als dieren vlees eten waaruit ze zelf zijn opgebouwd – een vorm van kannibalisme – ontstaan BSE-explosies. BSE is icoon geworden van onbedoelde en ongewenste effecten van technologie.

Het verschijnsel BSE is zo belangrijk omdat het laat zien hoe een systeembenadering in zichzelf gesloten is geraakt en tot ongedefinieerde – als ziekmakend ervaren – toestanden leidt. Dat is in de agrarische wereld te herkennen als: dieren krijgen voedsel van materie waaruit ze zelf bestaan. Er ontstaan ongedefinieerde toestanden: zo’n dier wordt ‘onbepaald van vorm’. Die toestand is voor te stellen als de situatie die ontstaat als je een microfoon voor een speaker houdt: je hoort dan een hoge indringende toon die door merg en been gaat en die je snel kwijt wilt. We noemen dat ‘rondzingen’. Dit rondzingen overstemt alles. Gebruiken we het als analogon voor wat er in het agrarische complex gebeurt, dan kunnen we BSE zien als fenomeen dat staat voor rondzingen van dierlijke systemen in natuurlijke omgevingen. Rondzingen is te herkennen als: dieren die door hun poten zakken, hun coördinerend vermogen kwijt zijn, hersenweefsel hebben dat versponst. Dit eindigt als we de output niet meer in hetzelfde systeem als input aanbieden. Dat wil zeggen: stoppen van BSE begint met een verbod op diermeel voor runderen. Is dit voldoende om rondzingen – de geslotenheid van de keten – te doorbreken? Nee, want als variëteit in diervoer afneemt, kan een toestand van rondzingen ontstaan, zonder dat direct sprake is van eten van materie waaruit een dier zelf is opgebouwd. Iemand uit de wereld van de harde systeembenadering zal dat vage verband niet opmerken. Hij neemt het verschijnsel pas waar als er expliciete verbanden worden geconstateerd die met rondzingen verbonden kunnen worden: als een verschijnsel optreedt dat direct met de geslotenheid van een keten in verband kan worden gebracht. Binnen de harde systeembenadering zal hij dan proberen de oorzaken te achterhalen die tot rondzingen leiden.In de tweede helft van de jaren 90 stelde de Nationale Raad van Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) een rapport op met het idee een grote koelkast in te richten waarin alle bekende varianten van dierlijke genen moesten worden opgeslagen om verlies van variëteit te voorkomen. Het is een vorm van construeren die is losgeraakt van het fenomeen dat leven ontstaat in wisselwerking met de omgeving. Dit voorbeeld laat zien hoe we geneigd zijn oplossingen te zoeken volgens een benadering die zelf de oorzaak is van het probleem dat we willen oplossen. Zo blijft het rondzingen, maar dan op een hoger niveau. In die toestand is de mens als soort afhankelijk geworden van systemen die hij zelf heeft ontwikkeld. Mensen kunnen dan niet meer zonder die systemen voortbestaan. Het gebruik van systemen wordt noodzaak om te overleven.

Het lijkt een situatie die ver in de toekomst ligt, maar ‘rondzingen op een hoger niveau’ is in de westerse wereld voor veel mensen al bereikt: ze nemen pillen om te slapen, drugs om zich prettig of beter te voelen en ervaren dat ze verslaafd raken en ‘levenloos’ worden. Tegelijk voeren politici strijd tegen drugs en gebruiken daarvoor systemen, zonder te zien dat drugsgebruik en systemen die ze ertegen inzetten een grote samenhang vertonen: het wapen tegen drugs – systemen en regels om drugsgebruik tegen te gaan – is tegelijkertijd de toestand waarin mensen drugs nemen om met en in die systemen te (over)leven. De strijd tegen drugs is icoon van rondzingende systemen in de westerse samenleving. De toestand dat mensen inmiddels in en tussen rondzingende systemen staan, lijkt onoplosbaar zolang de therapie gekozen wordt waarbij systemen moeten helpen om afhankelijkheid van drugs te verminderen.

Met de huidige stand van genetische manipulatie wordt herkenning van rondzingen een actueel vraagstuk: het punt dat de mens zijn eigen conceptie kan manipuleren is in zicht. Bij die overgang gaan mensen rondzingen in hun eigen ontstaansgeschiedenis. Het concept ‘mens’ dat het best past bij systemen die dat concept realiseren, komt dan als favoriet uit de bus.

We weten inmiddels dat er geen model kan zijn dat alles oplost en eenduidige uitspraken geeft. Maar we kunnen de klok niet terugdraaien: in de westerse wereld beschikken we over technologie en vormen van organiseren die we niet willen opgeven. De invloed van technologie kunnen we niet negeren, de vormen van organiseren evenmin. Ze zijn net zo realistisch als de explosieve groei van de wereldbevolking van 3 naar 6 miljard in 40 jaar, het draaien van de maan om de aarde, ontkiemen van zaad, het jagen van de leeuw, het steken van de mug, het delen van een cel, wetenschap bedrijven volgens Popperiaanse beginselen, ziek worden door een virus, verliefd worden, pijn hebben, gelukkig of ongelukkig zijn, of niet meer verder willen leven.

De problematiek die we ervaren in onze tijd kunnen we anders benaderen, door uit te gaan van leven in de vorm van zachte systemen die in verbinding met de omgeving staan. Zo’n zacht systeem dat in wisselwerking met de omgeving staat en kenmerken van leven heeft, noem ik een entiteit. Ze representeert een vorm van wisselwerking tussen zichzelf en de omgeving waarin ze kon ontstaan en voortbestaan. Elke entiteit neemt op een bepaalde manier deel aan de realiteit, staat op een voor die entiteit specifieke manier in wisselwerking met de omgeving, vormt in zichzelf omgeving voor elementen erbinnen die weer als entiteiten kunnen worden beschouwd. Bij planten en dieren, maar in het bijzonder bij mensen, is sprake van zo grote complexiteit dat ze als onderscheidbare gehelen in de realiteit kunnen worden beschouwd en dat vanuit die gehelen de realiteit kan worden benaderd en ingericht.

Wij zijn onderdeel van de realiteit, staan ermee in wisselwerking. Vanuit onze geest zijn regels, orde, systemen, concepten aan de realiteit toegevoegd. Maar wij blijven als mens onderhevig aan principes van betekenisgeving waaruit elk leven en dus ook wijzelf ontstaan. Deze constatering brengt ons tot het beschrijven van een wezenlijk kenmerk van leven, namelijk (vormen van) betekenis: hoe wij betekenis die ontstaat respecteren, hoe we betekenis van anderen ontvangen en met hen delen, hoe we betekenis als patroon herkennen en betekenis scheppen, hoe we onze betekenis laten domineren en vestigen. Het handhaven van die verschillende vormen van betekenis is wezenlijk voor leven. Wanneer die vormen niet met elkaar in evenwicht zijn, heeft dit invloed op het fundament van alle leven, dus ook van menselijk leven. Dat is precies wat bij rondzingen van levende systemen gebeurt: betekenis vestigen door de mens overheerst dan.

De remedie tegen rondzingen is: ervoor zorgen dat één vorm van betekenis niet zover gaat domineren dat omgevingen waarin entiteiten konden ontstaan en voortbestaan er volledig door worden bepaald. Alle sociale rampen zijn getypeerd door het feit dat leidende elites hun invulling van betekenis grootschalig konden vestigen. Alle ecologische catastrofes hebben als kenmerk dat wat mensen betekenis gaven domineerde, en dat het kleine, ogenschijnlijk onbelangrijke waaraan zij geen betekenis gaven, extreem belangrijk bleek voor entiteiten die in een omgeving ontstonden en zich erin handhaafden.

Kennelijk kan het lokale, tijdelijke, specifieke, het voor ons ogenschijnlijk nietige, niet worden genegeerd. We ontdekken soms op een harde manier dat we iets genegeerd hebben dat uiteindelijk leidt tot een situatie waarvan we zelf last hebben: we hebben de neiging om de realiteit vanuit onszelf te benaderen en komen onze eigen vormen van betekenis geven tegen als we daarin te ver gaan. Kunnen we de toestand waarin we staan en hoe die in evolutie bereikt is herkennen? Als we ons ervan bewust zijn dat er verschillende vormen van betekenis zijn, wat kunnen we dan (leren) waarnemen? Dan wordt het specifieke geval – de casus – belangrijk. Het lokale, tijdelijke, specifieke, het ogenschijnlijk nietige, kan dan niet worden genegeerd en gaat voor of (in ons denken) boven de generalisatie. Het verhaal als waarneming van wat gebeurt staat dan centraal.

1.2 Van het mondelinge naar geletterdheid

1.2.1 Het ontstaan van het moderne vanuit filosofisch oogpunt

Het boek Cosmopolis (1990) van Toulmin, een belangrijke inspiratiebron voor dit hoofdstuk, beschrijft ‘het moderne’. Toulmin meent dat het moderne‘Het moderne’ wordt in hedendaagse cultuuranalyses ook wel ‘moderniteit’ of ‘modernisme’ genoemd. loopt van begin 17e eeuw tot ergens in de tweede helft van de 20e. Het begin van het moderne is volgens hem gevoed door de periode 1580-1630. Er vond toen een omslag plaats die hij Cartesiaans noemt en waaraan hij de volgende karakteristieken toekent:

1. Van het mondelinge naar het geletterde

Bij schrijven of lezen trekt iemand zich terug in zichzelf: hij kan dan denken over realiteiten. Door lezen wordt het mogelijk na te slaan wat iemand eerder heeft bedacht en opgeschreven. Het wordt gemakkelijker moeilijke begrippen te formuleren en die te herhalen. Terugtrekken nodigt uit om ordeningen te denken en op te schrijven. Maar pas wanneer veel mensen over op die manier vastgelegde begrippen kunnen beschikken, ontstaat een overgang van wat we zullen noemen: een orale naar een geletterde cultuur.

Vóór het ontstaan van dominantie van denken – door René Descartes tot uitdrukking gebracht in ‘Ik denk dus ik ben’ – werd argumentatie geaccepteerd die niet alleen was gebaseerd op denken, maar die ook werd bepaald door het publiek dat werd toegesproken. De vraag uit de retorica: Wie hield dit betoog tegen wie, in welk forum, met gebruik van welke voorbeelden? was van wezenlijk belang.

Dat contrasteert sterk met wat daarna in geletterde culturen gangbaar was: argumentatie was geldig en juist, als ze gebaseerd was op samenhang tussen geschreven relaties. Het onderzoeksprogramma van de moderne filosofie zette alle argumentatie op grond van een casus van een specifiek persoon, in diens specifieke situatie waarbij voor die persoon belangrijke zaken speelden, overboord ten faveure van bewijs dat schriftelijk was vastgelegd en schriftelijk geleverd kon worden.

Volgens Toulmin was er in de geschiedenis een parallel: Plato stond voor zo’n zelfde soort rationalisering. Bij hem was een geometrisch bewijs gebaseerd op de nauwkeurigheid van een tekening en niet op retoriek. Hij zocht naar absolute ordeningen om vanuit die ordeningen de realiteit te benaderen. Aristoteles vond daarentegen dat een ordening op zich nooit vertrekpunt kon zijn voor het benaderen van de realiteit zonder de condities te honoreren waarbinnen die ordening gedacht was. Tot de 16e eeuw werden deze Aristotelische typen argumenten als niet-rationeel maar wel geldig – in plaats van antirationeel en niet-geldig – opgevat. In de 17e eeuw, in een cultuur van geletterdheid, ontstond een filosofie die daaraan een eind maakte. Retoriek werd verdacht, formele logica was in.

2. Van het situationele naar het generale

Dit kenmerk was bij Toulmin al besproken bij de overgang van het mondelinge naar het geletterde, maar hij betrekt het nadrukkelijk bij ethische kwesties. Vóór het Cartesiaans denken was ‘het goede’ verbonden met iemand in een specifieke situatie, zoals dat in grote delen van Afrika nog steeds het geval is. Op de vraag “Wat is een goed mens?”, blijft een Afrikaan staan en kijkt rond. Dan ziet hij iemand die hij kent en zegt: “Kijk, zij die daar loopt, is een goed mens.” Het handelen van iemand in wisselwerking met de omgeving waarin die persoon staat, is bepalend voor die uitspraak, niet een algemeen geldende regel die in alle situaties van toepassing is. (Het voorbeeld maakt tevens duidelijk dat in de Afrikaanse cultuur een andere vorm van betekenis domineert.)

Bij de overgang naar de 16e eeuw nam men afstand van het situationele, van de casus en de omstandigheden. Het Goede en het Juiste werden bepaald door algemeen geldende principes, niet meer door handelen van mensen in specifieke omstandigheden. Filosofen gingen op zoek naar algemene definities en limiteerden daarmee hun eigen terrein. Cases waren uit, algemene principes waren in.

3. Van het specifieke naar het conceptuele

Het Cartesiaanse denken maakt het voor een filosoof noodzakelijk te zoeken naar principes en ideeën die voor iedereen kunnen gelden en mensen met elkaar kunnen verbinden. Niet een individu, maar ‘de mens’ in het algemeen komt centraal te staan. Allerlei specifieke vragen en historische ontwikkelingen worden genegeerd als ze niet passen bij de abstracte axioma’s en theorieën die als verklaring of concept worden opgesteld.

4. Van het tijdelijke naar het tijdloze

Dit kenmerk is een vorm van samenhang van de vorige drie kenmerken. Essentie van de overgang naar generalisaties is dat wat algemeen geldig is, minder gevoelig is voor veranderingen in het situationele of specifieke. Vastlegging van wat men bedacht heeft, maakt het mogelijk ingewikkelde vormen van samenhang vast te houden. Er ontstaat een toestand waarin mensen gemakkelijker in staat zijn wat bedacht is verder uit te bouwen en met anderen te delen. De hoeveelheid generalisaties explodeert. Het werkt uit als een cultuurkenmerk: van het tijdelijke naar het tijdloze.

De beschrijvingen van Toulmin heb ik samengevat en aangevuld. Zijn omschrijving van het moderne is niet algemeen geaccepteerd. Zo is het moderne bijvoorbeeld voor iemand als Jürgen Habermas de periode na de Verlichting, na 1800. Gelijkheid van mensen is voor Habermas het dominerende kenmerk van het moderne. Zowel Toulmins als Habermas’ opvatting heeft aanhangers.

Wat Habermas en Toulmin verbindt, is hun vorm van argumenteren. Beiden ontlenen argumenten aan filosofische en wetenschappelijke beschouwingen die verbonden zijn met sociologische en politieke benaderingen. Wat bij hen minder aandacht krijgt, is dat technologie een toestand schiep – een cultuur – waarin mensen de wereld gingen beschouwen zoals hiervoor is beschreven.

1.2.2 Het ontstaan van het moderne vanuit technologisch oogpunt

Ong geeft in zijn boek Orality and literacy (1982) een boeiend beeld van de invloed van schrijven op een cultuur. Hij ziet schrijven als een technologie. De boekdrukkunst ontstond in Europa rond 1450 en werd gemarkeerd door het jaar 1447 toen Gutenberg er in slaagde een astronomische kalender voor het jaar 1448 te drukken. In 1455-1456 kwam het eerste monumentale werk tot stand: een 42-delige bijbel. De snelle ontwikkeling werd bevorderd doordat Duitse drukkers al reizend hun mogelijkheden lieten zien. In de 16e eeuw voltrok zich een specialisatie van het vak. Het moment aan het eind van de 16e eeuw dat grote boekenbedrijven ontstonden zoals die van de Elseviers en de Blaeus in de Nederlanden en andere elders in Europa, laat zien dat er inmiddels zoveel lezers en schrijvers waren, dat het mogelijk werd er een bedrijvigheid op te baseren.

Ong vertelt hoe schrijven als technologie het denken en bewustzijn verandert. Zijn manier van kijken is inspirerend en maakt het gemakkelijk te begrijpen wat de samenhang is tussen het denken en waarnemen van Toulmin en de effecten van het feit dat van alles gedrukt, verspreid en gelezen kon worden. Bij schrijven trekken mensen zich terug, zonderen zich af. Het nodigt uit tot denken en in gedachte gebeurtenissen te ordenen. Toen er nog geen sprake was van boekdrukkunst, schreven mensen iets aan of voor iemand. Ze schreven brieven aan een beperkte groep mensen die ze kenden. Bij het schrijven van brieven richt je je op iemand persoonlijk. Boekdrukkunst veranderde dat. Een boekenschrijver richt zich in het algemeen tot onbekenden. Boekdrukkunst nodigde schrijvers van een boek uit zich vrij te maken van omstandigheden, van specifieke situaties, van wat op dit moment gebeurt.

Er zijn grote verschillen tussen al die lezers van een boek en grote verschillen in situaties waarin ze staan. Door boekdrukkunst werd de schrijver ‘gedwongen’ zich te richten op wat algemeen gold, om iets te zeggen dat anderen in omstandigheden die de schrijver niet wist of kon weten, als van betekenis konden herkennen. De schrijvende en lezende groep van een samenleving ging als eerste die manier van beschouwen gebruiken; na verloop van tijd was het feit dat veel mensen lazen en schreven een cultuurkenmerk geworden.

Algemeen: niemand kan zich onttrekken aan de omstandigheden waarin hij leeft; hij zal onontkoombaar de heersende manier van beschouwen overnemen. Die manier van kijken zal op veel menselijke activiteiten invloed krijgen: ze wordt algemeen en zal op elk terrein worden toegepast.Dit boek is een uiting van geletterdheid. Er valt niet te ontkomen aan generalisaties als je een groep mensen wilt bereiken die in verschillende omstandigheden staan en met wie je toch iets wilt delen. Op enig moment zal een toestand ontstaan waarin schrijvers tot specifiek geletterde interpretaties van de realiteit komen. Vanaf dat moment kan men spreken van constateerbare verschillen tussen orale en geletterde culturen en is een opsomming van die verschillen mogelijk. Dan wordt het verband duidelijk tussen schrijven en drukken als technologie en de overgang naar het moderne volgens Toulmin. Ik gebruik het werk van Ong als inspiratiebron om de mijns inziens belangrijkste verschillen tussen orale en geletterde culturen te beschrijven.

1.2.2.1 Kenmerken van het mondelinge

We gaan uit van een primair orale cultuur waarin geletterdheid niet of nauwelijks voorkomt.

1. Je verbindt je met wat je zegt, niet met wat je ziet.

Wat je ziet komt op je af, komt van buiten. Spreken komt uit jezelf. Je verbindt je ermee, anderen verbinden jou met wat je zegt. Als mensen met elkaar praten, verbinden ze iets wat echt van henzelf is met dat van een ander.We negeren hier dramaturgisch handelen waarbij iemand een rol speelt, en waarbij wat je ziet theater is. Dat komt in de hoofdstukken VI en VII aan de orde. Een groep wordt pas een groep – heeft sociale samenhang – als mensen zich op grond van uitingen met elkaar verbinden. Die verbinding ontstaat als mensen met elkaar praten, elkaar helpen, samen iets doen; niet als ze hetzelfde zien.Het woord ‘community’ op internet wordt gebruikt voor het ontstaan van een groep: een verzameling geletterde uitspraken over interesses, of uitspraken die te groeperen zijn als interesse in gebruik van een product. Community is een sociaal begrip. Is een internetcommunity een groep in sociale zin? Verbinden deze mensen zich als groep met elkaar? Door te socialiseren kan het misschien een groep worden. Je verbindt je niet met wat je ziet.

2. Je weet datgene wat je kunt oproepen.

Die uitspraak is algemeen waar, maar hoe ziet het eruit in een orale cultuur? Er is geen boek of leesbaar document waarin je kunt terugvinden wat je dacht te weten. Het antwoord is: denk in termen van gedachten die je je kunt herinneren. Het helpt wanneer die gedachten worden ondersteund door ritmen of uitspraken die iedereen kan herhalen. Gezegdes, verzen en liederen zijn vormen die daarbij helpen. De volgende kenmerken van oraliteit die gebaseerd zijn op wat men zich kan herinneren, zijn dan gemakkelijk te herkennen:

  1. Je voegt toe, bent niet analytisch en ordent niet of nauwelijks. Het voorbeeld van Ong van een bijbelvertaling uit 1610 zegt voldoende: “In den beginne schiep God hemel en aarde. En de aarde was leeg en onbezet, en er heerste duisternis; en de geest van God bewoog over het water. En God zei: laat er licht zijn. En het werd licht. En God zag het licht en zei dat het goed was: en hij scheidde het licht van de duisternis. En hij noemde het licht Dag en de duisternis Nacht; en op een dag was er avond en ochtend.” Het stuk bevat 11 maal ‘en’ dat inleidend en toevoegend is.
  2. Je versterkt meer dan dat je analyseert. Je zegt niet ‘de soldaat’ maar ‘de dappere soldaat’; niet ‘de prinses’ maar ‘de schone prinses’. Het ritme in wat je zegt en het beeld dat je oproept moet gemakkelijk te onthouden zijn. Je vult aan en overdrijft om ritme en beelden te ontwikkelen. Dat doe je zowel in het positieve als in het negatieve. Hierdoor ervaren wij een orale cultuur als hard voor elkaar – als hardvochtig.
  3. Je herhaalt veel. De spreker moet het verhaal onderhouden. Hij herhaalt waar nodig om de lijn voor zijn publiek te kunnen vasthouden.
  4. Je neigt tot conservatisme. Om vast te houden wat is geleerd, moet je onthouden en herhalen wat in het verleden van waarde is ontstaan. Het onderhoud ervan absorbeert tijd en energie.
  5. Je blijft dicht bij de menselijke leefomgeving. Je bent meer empathisch en participatief dan afstandelijk en objectief. Mensen moeten kunnen herkennen wat wordt gezegd, anders verliezen ze de lijn van het betoog en de verbinding met de spreker. Abstracties kunnen ze niet gebruiken. Beelden die ze herkennen uit het dagelijks leven, ervaringen die ze kunnen delen, helpen om de spreker te volgen.
  6. Het heden domineert de beelden die je geeft. Je probeert te doen wat past bij de situatie waarin je staat. Je gebruikt geen woorden en daaraan verbonden beelden uit het verleden die voor een publiek geen betekenis meer lijken te hebben. Wat mensen in het nu kunnen herkennen wordt vastgehouden.Een woordenboek legt die overgangen vast, laat zien hoe woorden en eraan verbonden beelden zich ontwikkeld hebben.

3. Je geeft situationeel samenhang aan verschijnselen en niet volgens gedachte ordening.

Een paar voorbeelden van Luria (1976): hij deed uitgebreid veldwerk onder niet-geletterde en enigszins geletterde personen in afgelegen gebieden als Oezbekistan en Kirgizië in de jaren 1931- ‘32. Hij interviewde mensen op manieren die pasten bij orale culturen en hij rangschikte hen op een schaal van geletterdheid. De groep als geheel vertoonde een normale spreiding van intelligentie. De meerderheid was ongeletterd en de meest geletterde personen waren mensen die zelf schreven. Drukwerk was als algemeen communicatiemiddel niet voor handen. Luria kwam terug met de volgende interessante resultaten:

  1. Niet-geletterde mensen gaven geometrische figuren als cirkels en vierkanten geen abstracte naam, maar identificeerden ze met een ding dat ze kenden. Zo werd een cirkel geassocieerd met emmer, maan of wiel. Een vierkant werd een spiegel, deur of huis. Schoolleerlingen echter noemden de geometrische figuren ook bij hun naam: cirkels, vierkanten. Ze gaven antwoorden zoals ze die op school hadden geleerd, niet zoals ze die in hun omgeving tegen kwamen.
  2. Luria toonde niet-geletterden en geletterden het volgende rijtje tekeningen: hamer, zaag, blok hout en bijl. Hij vroeg wat niet in het rijtje paste. Geletterden zeiden dat het blok hout niet paste, want dat is geen gereedschap. Niet-geletterden noemden de hamer, want blok hout, zaag en bijl passen bij elkaar in een situatie: met zaag en bijl kun je een boom klein maken. Toen tegen een 25-jarige boer gezegd werd dat anderen voor de categorie gereedschap kozen, zei hij dat dat soort denken zeker bij hen in het bloed zat. “Je moet met hout aan de gang om je huis te bouwen. Hoe kun je anders blijven leven? Wat heb je nou aan een hamer als je een blok hout hebt?”
  3. Het andere uiterste was een jongen van 18 die twee jaar naar school was geweest. Zelfs onder druk hield hij vol dat de indeling van gereedschappen waarvoor hij gekozen had de enig juiste was.
  4. Luria probeerde mensen abstracte manieren van kijken bij te brengen en hen erin te trainen, maar dat was verloren werk. De niet-geletterden bleven geïnteresseerd in praktische kwesties en daar hoorde abstractie niet bij.
  5. Formele logica is een uitvinding van de Grieken, nadat zij de techniek van schrijven met een alfabet onder de knie hadden gekregen. De essentie is dat tekst bestaat uit een reeks beweringen die op zichzelf leiden tot een ware uitspraak. Luria gebruikte het syllogisme, dat bestaat uit twee beweringen waarop een conclusie kan worden gebaseerd. Hij gebruikte het syllogisme: edelmetalen roesten niet. Goud is een edelmetaal. Roest het of roest het niet? Antwoorden waren: “Roesten edelmetalen wel of niet? Roest goud wel of niet?” Men was niet in staat de logica van het syllogisme te volgen. Mensen die niet geschoold zijn, vooral niet academisch, zijn niet bekend met de grondregels van de logica en neigen ernaar de bewering van het syllogisme aan te tasten. Bovendien is het syllogisme gesloten en bestaat uit een vast patroon dat lijkt op een vast omschreven versvorm in het mondelinge. Het geeft het uitspreken van het syllogisme een dramaturgisch effect dat verbonden is met het mondelinge, terwijl de essentie van het syllogisme inhoudelijk is. Dat maakt het voor niet-geletterden nog lastiger de logica van zo’n syllogisme te herkennen.
  6. Luria vroeg om definities van objecten. Op de vraag: “Kun je uitleggen wat een boom is?” kwamen antwoorden als: “Waarom zou ik? Iedereen weet wat een boom is.” De vraag roept bij mensen die leven in een orale cultuur ergernis op. Waarom zou je wat in de realiteit als vanzelfsprekend ervaren wordt vastleggen in een definitie?
  7. De niet-geletterden hadden problemen met zelfanalyse. Zelfanalyse eist dat je situationeel denken loslaat. Het vraagt om afzondering van jezelf in de omgeving waarin je staat. Op vragen als: “Wat voor type persoon ben je, hoe is je karakter, welke goede en slechte eigenschappen heb je, hoe zou je jezelf beschrijven?” kreeg hij antwoorden als: “Ik was erg arm, nu ben ik getrouwd en heb kinderen. Het zou goed zijn als ik wat meer land had.” Of: “Wij gedragen ons goed, als dat niet zo was, zou niemand ons respecteren.” Of: “Vraag anderen, zij kunnen over mij vertellen. Ik kan niets over mijzelf zeggen.” Ze bleven zichzelf in de omgeving plaatsen en vanuit de groep of de omgeving betekenis geven.

Algemeen: gesproken taal verbindt iemand met een ander, omdat de woorden uit zijn binnenste komen en het binnenste van de mens met een ander kan verbinden. Gesproken woorden vormen mensen tot groepen. Als iemand een publiek toespreekt, worden de aanwezigen meestal een eenheid, zowel onder elkaar als met de spreker. Als de spreker zijn publiek vraagt een hand-out te lezen die hij voor hen heeft gemaakt, valt de groep uiteen in individuen die pas weer als groep worden herenigd zodra de spreker het woord neemt. Schrijven en printen isoleren mensen. Een orale cultuur socialiseert: betekenis die een groep geeft en de omgeving waarin men staat domineren.

Een orale cultuur drukt zich niet uit in geometrische figuren, abstracte categorisering, formele logische redeneringen en processen, definieert niet en geeft ook geen uitputtende beschrijvingen of articulaties van zichzelf. Men staat niet in denken dat door tekst gevormd is! De mensen op wie je je richt, de plaats waar je bent, wat er speelt: dit alles bepaalt je woorden en de verbinding die ontstaat.

1.2.2.2 Kenmerken van schrijven en drukken

Veel eigenschappen van schrijven zijn al impliciet opgesomd in de kenmerken van oraliteit. Die kenmerken moeten dan gelezen worden als: in een cultuur van schrijven treden die niet op. De eigenschappen die je aan schrijven kunt toekennen, zijn verbonden aan ordeningen die konden ontstaan sinds geletterdheid bestaat. Opnieuw is Ong onze inspirator.

  1. Schrijven, lezen en herschrijven nodigen uit tot analyseren en studeren. Als iets is opgeschreven, kunnen de in tekst neergeslagen gedachten worden gelezen en herlezen. Tekst wordt ontleed, opgedeeld in stukken, anders ingericht. Analyse van een tekst is: zich in tekst verdiepen, wat leidt tot nadenken en weer vastleggen. Schrijven en lezen scheppen omstandigheden waarin je wordt uitgenodigd tot analyseren en studeren.
  2. Verlies aan competentie om zich mondeling te uiten. Schrijven belast het geheugen niet om beelden te onthouden die in een orale cultuur noodzakelijk zijn. Het leidt tot verlies aan vermogen om zich mondeling te uiten.
  3. Een geschreven tekst is wezenlijk niet responsief. Schrift is op de eerste plaats een verbeelding van gedachten die in iemand zelf leven en die niet een antwoord zijn op een vraag of uiting van een ander. Mensen blijven staan in de beelden die binnen henzelf leven, ze verbinden zich niet of moeilijker met een ander. Uit een geschreven antwoord kiest iemand datgene wat bij zijn eigen gedachten of ideeën past.
  4. Wie schrijft, blijft. Geschreven tekst houdt uitingen van een schrijver vast. Woorden en zinnen maken deel uit van de realiteit en houden de schrijver ‘in leven’.
  5. Schrijven is een technologie. Schrijven produceert woorden. Print en computers veranderen dat slechts qua vorm, maar maken de technologie van het schrijven wel krachtiger. Schrijven verandert de dynamiek van praten in stilte en reflectie. Het brengt een artefact in de wereld van levende verschijnselen en krijgt elementen van dynamiek mee. Het is één van de belangrijkste en grootste bijdragen aan vooruitgang, als vooruitgang wordt gezien als het vormen van de realiteit naar een toestand zoals mensen zich die wensen.
  6. Realiteit als gerealiseerde werkelijkheid. Schrijven maakt buiten de schrijver, buiten zijn verstand – in de vorm van geschreven woorden – herkenbaar wat in zijn verstand kon ontstaan. Als je wat in het verstand leeft of er in tot leven komt werkelijkheid noemt, dan voegt schrijven beelden van werkelijkheden toe aan de realiteit. Dat wil zeggen: het woord dat een verbeelding is van een gedachte, wordt aan de realiteit als nieuw verschijnsel toegevoegd, als een ding of artefact. Na verloop van tijd is een woord als uiting van een werkelijkheid zo gewoon en heeft zich zo vaak herhaald, dat het niet meer wordt ervaren als beeld van een gedachte, maar als een natuurlijk verschijnsel in de realiteit.

Boekdrukkunst versterkte de effecten die schrijven teweegbracht en voegde er nieuwe aan toe. Toen schrijven nog gebonden was aan manuscripten – handgeschreven teksten in Europa voor 1450 – was het mondelinge nog steeds zeer dominant. Een geschreven statement werd dikwijls (publiekelijk) voorgelezen. De accountant ‘audit’ nog steeds de boeken van een klant. Het mondelinge verbond mensen, gaf vertrouwen.

Op papier werd een uitspraak vastgelegd. Doordat deze in dezelfde vorm reproduceerbaar was, werd het mogelijk de uitspraak veel beter te verifiëren. Geschreven tekst kreeg een ander gewicht. Wat op papier stond ging men ervaren als waar.In onze tijd zien we dat teksten door het gebruik van tekstverwerkers heel gemakkelijk ontstaan en reproduceerbaar zijn. E-mail met taalfouten is volstrekt geaccepteerd. E-mail heeft zich ontwikkeld tot informele tekstvorm. Ze vervangt de mondelinge uitspraak en afspraak, maar je kunt de uitspraak wel bewaren en eraan refereren. Ze heeft meer gewicht dan de mondelinge uitspraak, maar minder dan een formele brief of contract.

Boekdrukkunst zette woorden definitief in de wereld. Maar ze deed meer: ze zette tekst ook in de ruimte. De bladspiegel werd een verschijnsel in de ruimte, opgebouwd uit woorden. Typografische opmaak viel op door precisie. Typografische tekst ontstond in een productieproces waaraan allerlei specialismen deelnamen. Voordat een tekst gedrukt was, was hij gefilterd op leesbaarheid zodat er op voorhand al veel aandacht was voor de wensen en mogelijkheden van de eventuele lezer. De inspanning om een tekst gemakkelijk leesbaar te krijgen geeft een hoge opbrengst als veel lezers daarvan kunnen profiteren. Drukken maakt zo’n opbrengst mogelijk. Als gedrukte teksten worden vergeleken met manuscripten, zouden veel manuscripten de toets van de uitgever niet doorstaan. Een gedrukte tekst leest veel gemakkelijker dan een manuscript. Bovendien is een boek veel hanteerbaarder. Boeken die in druk zijn ontstaan vestigen een andere relatie tussen auteur en lezer: een boek is ‘lezergericht’, een manuscript is ‘schrijvergericht’.

1.2.2.3 Overgang naar het moderne gegeven de wisselwerking met de omgeving

Met deze bagage keren we terug naar de beschouwingen van Toulmin. De overgang van het mondelinge naar het geletterde die hij als eerste waarneming geeft, bevat al de overgangen die hij daarna opsomt: van het situationele naar het algemene, van het specifieke naar het conceptuele, van het tijdelijke naar het tijdloze. Het ontstaan en de ontwikkeling van natuurfilosofie is niet goed voorstelbaar zonder ontwikkeling van de boekdrukkunst. Vanuit de optiek ‘wisselwerking met de omgeving’ verandert de toestand waarin mensen staan zodra boekdrukkunst een verschijnsel in de realiteit wordt. Het heeft invloed op betekenis geven en beschouwen en verandert daarmee alle menselijke uitingen en ordeningen.

Degenen die de overgang van het mondelinge naar het moderne hebben meegemaakt, kunnen die overgang ervaren hebben als verlies van wat er voor mensen toe deed. Zij kunnen sceptisch hebben gestaan tegenover zo’n nieuwe technologie. Degenen die in het moderne stonden, kunnen de aandacht voor retoriek, het persoonlijke, tijdelijke en specifieke als rem op vooruitgang hebben ervaren. Het laat zien dat waarden en normen gebonden zijn aan groepen die ontwikkelingen ervaren. Het maakt duidelijk dat vasthouden aan wat iemand van waarde acht in veel gevallen op nostalgie kan berusten.

Je zou de indruk kunnen hebben dat de typering van het moderne van Toulmin die hier beknopt is weergegeven, volledig zijn manier van kijken representeert. Dat is niet zo. Het boek Cosmopolis benadert de ontwikkeling van het moderne vanuit een ontwikkeling van politiek, sociologie en filosofie. Elisabeth Eisenstein (1979) beschrijft de ontwikkeling in en van het moderne op een vergelijkbare manier. Zij laat zien dat de Italiaanse renaissance door boekdrukkunst Europees werd, hoe religieuze twisten en ontwikkelingen vorm kregen vanwege geletterdheid van een cultuur, hoe wetenschap in het moderne zich kon ontwikkelen, het kapitalisme zich erdoor kon verbreiden, hoe westers denken zich over de hele wereld kon verspreiden. Ze laat zien hoe ontwikkelingen zijn te beschrijven, door mensen in wisselwerking met de omgeving als vertrekpunt te kiezen. Ong beschrijft haar bijdrage als een oorzakelijke verklaring en in die zin komt de manier van beschouwen van Eisenstein met die van Toulmin overeen. Er zal een verklaring zijn voor verschijnselen.

Maar een beschouwing die wisselwerking met de omgeving als vertrekpunt heeft, is principieel vertellend, verklaart niet, maar vertelt wat is gebeurd. Dat het ging zoals beschreven wil dan zeggen dat de toestand waarin mensen stonden en de wisselwerking die ze aangingen, nu juist dit en niet een ander resultaat gaf. Het had net zo goed anders kunnen gaan.

Er bestaat geen twijfel over dat boekdrukkunst drager is geweest van fundamentele veranderingen die kenmerkend werden voor de westerse cultuur. Die techniek heeft het mogelijk gemaakt dat wat was bedacht en op schrift vastgelegd, onderdeel kon worden van natuurlijke verschijnselen, van de realiteit van iedereen. Rationaliteit die eerder door schrijven tot gelding kwam en erdoor werd ondersteund, werd belangrijker dan ordenen volgens natuurlijke ontwikke-lingen. Rationaliteit van de mens kwam centraal te staan, werd referentie voor betekenis geven aan verschijnselen. Causaliteit als verband tussen verschijnselen en typerend voor de menselijke rationaliteit, kon natuurlijke wisselwerking gaan domineren. Anders gezegd: betekenis scheppen kon het ontstaan van betekenis en respecteren van betekenis gaan domineren.

Technologische ontwikkelingen komen tot explosie vanwege ruim baan voor menselijke rationaliteit. Die ontwikkeling is niet gepland, maar in de toestand die is ontstaan kunnen mensen vanwege wisselwerking met de omgeving niet anders. Na verloop van tijd leven mensen in een wereld die door hen is gecomponeerd: een wereld van artefacten en hulpmiddelen die alle ontstaan zijn vanuit en door de mens. Betekenis die de mens geeft wordt de betekenis die zich vestigt en domineert. De mens als entiteit wordt referentie van alle verschijnselen, wordt middelpunt van de wereld.

Als we dit fenomeen herkennen, zien we dan in de afgelopen eeuw tot in onze tijd technologie ontstaan die deze dominantie versterkt, doorbreekt of verandert? En hoe is die te herkennen? Je kunt in elk geval zeggen dat tekstverwerking en e-mail als uitvloeisels van computertechnologie schrijven als technologie hebben versterkt. Maar is er ook technologie ontstaan die de dominantie van geletterdheid afbreekt of vermindert? Om zo’n technologie te herkennen, weten we waarop we moeten letten: zo’n technologie vermindert het terugtrekken van mensen in zichzelf, vermindert de dominantie van denken. Niet dat boekdrukkunst verdwijnt, maar er komt iets bij wat de dominantie van geletterdheid vermindert.

De volgende paragraaf laat zien dat het in beeld brengen van verschijnselen met behulp van media – in het bijzonder televisie – zo’n technologie is en dat in een cultuur de overgang van geletterdheid naar mediaal verbeelden gezien kan worden als: van het moderne naar het postmoderne.

1.3 Van geletterdheid naar mediaal verbeelden

1.3.1 Schets van de ontwikkeling van media

Toulmin meent dat de omslag van het moderne naar het postmoderne al zichtbaar wordt in de laatste helft van de 19e eeuw. Hij baseert zich op ontwikkelingen in kunst, politiek, sociologie en filosofie. De opkomst van het impressionisme in de schilderkunst is vanuit zijn manier van kijken relevant. Impressionisme volgt op de periode van het naturalisme waarbij de schilder zo getrouw mogelijk de realiteit weergeeft. Het impressionisme wordt gekenmerkt door een indruk van een moment, liefst in de natuur, waarbij licht en kleur dominant zijn. Het is het antwoord van de schilder op de fotografie die in dezelfde periode ontstaat. De schilder kan in een afbeelding een sfeer tot expressie brengen, kan accenten aanbrengen die met de foto als naturalistische weergave van verschijnselen tussen de pixels gezocht moet worden. Geleidelijk wordt het impressionisme dan ook verbonden met de impressie die de schilder geeft. Het is daarna ook in andere kunstuitingen terug te vinden.Zie bijvoorbeeld H.H. Arneson (1986). De ontwikkeling in de kunst verloopt daarna op een wijze die niet meer met het moderne is te verbinden: vanaf dit moment krijgt menselijke creativiteit ruim baan, gaan in de mens ontstane beelden domineren over natuurlijke weergave en impressie van natuurlijke verschijnselen.

Het is onmogelijk te zeggen dat het één direct verband houdt met het ander, maar de toestand die door fotografie ontstaat, verandert de toestand van de omgeving en wordt het eerst opgemerkt door hen die daar het meest gevoelig voor zijn. De betekenis van en door een schilder verandert: foto’s leggen natuurlijke verschijnselen nauwkeuriger vast dan wat een schilder ooit vermag. Het ontstaan van het impressionisme in de schilderkunst valt daarom niet geheel toevallig samen met de ontwikkeling van fotografie, hoewel essenties als vrede, tijd en rust nemen om je aan schilderen over te geven, gepassioneerd bezig zijn met expressie van verschijnselen, er met anderen over kunnen praten, er natuurlijk ook toe doen.

In 1839 komt Daguerre met het op zilverjodide gebaseerde fotografisch proces dat de Franse regering opkoopt en de wereld in dat jaar als geschenk aanbiedt. In 1872 komt Muybridge met de eerste opnamen van bewegende dieren en in 1874 maakt hij een studie van bewegende paarden met behulp van 24 camera’s. Eastman en Gevaert richten in respectievelijk 1881 en 1894 hun bedrijven op, voorlopers van multinationals die in de 20e eeuw de foto-industrie beheersen.

Film krijgt daarna eigen momentum. De Lumières krijgen in 1895 patent op hun ontwerp van een filmprojector. Vanaf 1900 ontstaan allerlei bijdragen aan de ontwikkeling van film: projectieapparatuur wordt snel verbeterd, er wordt geluid toegevoegd. De explicateur komt tegen het begin van de Eerste Wereldoorlog te vervallen. In de loop van de eerste helft van de 20e eeuw is de opkomst van filmsterren die commercieel worden ingezet, waar te nemen. Film wordt een verschijnsel dat een eigen werkelijkheid schept, naast en in de natuurlijke realiteit. Film maakt het mogelijk een beeld te scheppen dat niet de realiteit is, maar wel als realiteit ervaren wordt. Voor wie terugkijkt wordt dat duidelijk in de film Triumf des Willens van Leni Riefenstahl in 1934, waarin ze een beeld van Hitler en zijn nazi-regime schept dat ze blijft herhalen in films over onder andere de Olympische Spelen. Hitler heeft daarover gezegd dat hij zich de belangrijkste filmspeler van zijn tijd voelde. Riefenstahl maakte massificatie van een impressie mogelijk. Verbeelden werd een krachtig middel om in een democratie macht te ontwikkelen, terwijl het werkelijke gedrag en de bedoelingen worden verhuld. In onze tijd laat Berlusconi zien dat hij er alles van heeft begrepen. Pim Fortuijn gebruikte geletterdheid als onderbouwing van mediaal gedragen retoriek.

De relevantie van mediale verbeelding is in een voorbeeld te verduidelijken:
Wie de impact van mediale verbeelding goed tot zich laat doordringen, realiseert zich dat de uitkomst van politieke verkiezingen in een democratie door gebruik van mediale verbeelding volstrekt verandert. Je kunt je afvragen of verkiezingen volgens een systeem waarbij mensen de kandidaten niet direct ontmoeten, maar een indruk van die kandidaat krijgen op grond van beelden, nog wel past bij structuren die werden opgezet in een tijd waarin mediale beelden nog niet bestonden: de heersende democratische structuren stammen immers uit een tijd waarin mensen via kranten de ideeën van kandidaten vernamen en in bijeenkomsten met hen in discussie gingen en een impressie van de kandidaat kregen onder omstandigheden waarin beelden niet of moeilijk gemanipuleerd konden worden. Het idee om bijvoorbeeld de voorzitter van de Europese Commissie direct te kiezen via verkiezingen is een uitnodiging aan de Berlusconi’s van onze tijd.Dit voorbeeld is mede ingegeven door een lopende discussie over Europa: is het wenselijk dat de voorzitter van de Europese Commissie in een directe verkiezing gekozen kan worden?
Inrichting van verkiezingen waarbij burgers kandidaten ontmoeten en ‘in natura’ leren kennen, die op hun beurt weer anderen kiezen die zij kennen via directe ontmoeting, vermindert de impact van mediale verbeelding. Het maakt het minder gemakkelijk een idee te hebben, te ontwikkelen en via media te ‘verkopen’. Anders gezegd: getrapte verkiezingen, van de basis van de samenleving tot de top, eindigend bij leden van het parlement, maakt zo’n weg vrijwel onmogelijk.
De instrumentele waarde van structuren opgezet in een andere toestand, in een andere tijd, verandert. Het gaat hier niet om een waardeoordeel over een ontwikkeling of een idee uit te spreken. Het gaat er wel om te begrijpen en in te voelen hoe een toestand verandert en mensen in wisselwerking met de omgeving dan veranderen in gedrag. Zo zal het tempo van veranderen in een toestand waarbij mediale verbeelding kenmerkend is snel toenemen. Mediale verbeelding maakt het immers mogelijk een image te ‘verkopen’ in plaats van een idee. Een beeld krijgt dan veel meer gewicht dan een idee dat via een mondeling betoog moet worden overgebracht. Beelden, images van ideeën en concepten, zijn in communicatieland vehikels geworden van ideeën en concepten. Beelden en images kunnen ook bestaan zonder ideeën en concepten, kunnen een eigen leven leiden. Als je kunt constateren dat beelden een eigen leven leiden, de communicatie domineren, is de overgang van een geletterde naar een mediale cultuur een feit.

Terug naar de ontwikkeling in de tijd: in de eerste helft van de 20e eeuw kwam de radio op, die reportages in de vorm van mondelinge ooggetuigeverslagen mogelijk maakte over wat ergens op de wereld gebeurde. Radio maakte de wereld kleiner, bevorderde discussie over verschijnselen in de wereld en luidde in Nederland het ontstaan in van omroepverenigingen die hun basis vooral hadden in interpretatie, discussie en communicatie over verschijnselen.In Nederland is in die tijd alleen de AVRO anders ontstaan. Die stond aan de wieg van de radio en bevorderde in eerste instantie de erkenning van de mogelijkheden van radio als technologie in samenleving en maatschappij.

Radio domineerde en bevorderde communicatie over de wereld. Radio bevorderde niet de ontwikkeling en gebruik van beeldtaal. Toulmin meldt dat de omslag van het moderne naar het postmoderne al aan het eind van de 19e eeuw zichtbaar wordt, maar in de eerste helft van de 20e eeuw stagneert. Hij legt geen verband tussen ontwikkelingen in de samenleving en het ontstaan van media op het gebied van beeldtaal, noch met het ontstaan en opkomen van de radio.

De echte doorbraak van een beeldtaal ontstaat na de Tweede Wereldoorlog, bij het opkomen van televisie. Dit medium maakte het mogelijk de wereld in beeld te brengen, nieuwe nog niet eerder ontstane beelden te scheppen en in de huiselijke omgeving te presenteren. Er is bij het waarnemen iets tussen mensen en de realiteit gekomen, waardoor ze enerzijds die realiteit kunnen waarnemen, maar die anderzijds niet de realiteit is als ze er zelf in aanwezig zouden zijn. Televisie veranderde de manier waarop mensen de wereld inkijken en in de wereld staan. Icoon van onze tijd is de Japanner die de wereld ziet door het oog van zijn camera en via foto’s en video’s die hij thuis bekijkt.

1.3.2 Kenmerken van mediaal verbeelden

De effecten van introductie van beeldtaal zijn vergelijkbaar – maar inhoudelijk omgekeerd – met effecten bij overgang van een orale naar een geletterde cultuur. Bij mediaal verbeelden volgt de kijker beelden die hem worden voorgezet. Het verbeelden van een realiteit lijkt veel meer op de realiteit dan het erover schrijven of spreken: je ziet beelden die overeenkomen met wat je zelf kunt zien als je zou staan op de plek waar gefilmd is. De beelden zijn zo getrouw dat je in jezelf een voorstelling maakt van wat je ziet. Beelden over New York lijken zo getrouw op New York, dat je je een beeld van de stad vormt en bij je draagt als je er echt bent. Van de vooringenomenheid die zo ontstaat ben je je niet bewust, maar je wordt er wel door beïnvloed. Baudrillard (1982) gebruikte dit voorbeeld van New York en noemde mediale beelden van de realiteit die ervaren worden als realiteit: simulakra. De verschillen tussen ‘simulakra zien’ en ‘in de realiteit staan waar de beelden zijn gefilmd’ zijn groot, al ervaren mensen dat bij televisiekijken niet.

  1. Simulakra worden ontvangen in een omgeving die niet lijkt op de plaats waar de beelden zijn opgenomen. Wat je ziet is niet zozeer anders, maar de ruimte waarin je staat verschilt. Je ziet beelden uit een door de camera weergegeven hoek, andere hoeken kun je niet zien. Je ruikt geen geuren, voelt de temperatuur niet. Kleuren zijn anders, veel geluiden dringen niet door, de aanloop tot de situatie van opname die bepalend kan zijn voor de keuze van wat je ziet, beleef je niet. Opnamen kunnen ‘s ochtends zijn gemaakt terwijl je zelf de beelden ziet als thuis het licht weer aan is.
  2. De betekenis die de kijker aan beelden geeft en de betekenis die beelden hebben voor degenen die er zelf leven, is onvergelijkbaar. De context waarin beelden worden ontvangen bepaalt wat je beleeft, bepaalt vergaand de betekenis van wat je ziet. Thuis voor de buis is een context waarin je – letterlijk en figuurlijk – waarnemer bent van de gebeurtenissen die je ziet. Je merkt niet wat je niet ziet en wat er ook toe doet om betekenis te geven; je denkt het wel te weten. Kijken als vorm van waarnemen domineert. De betekenis van wat je ziet, voor jou thuis voor de buis, is gebaseerd op wat je je kunt voorstellen, wat je kunt verbinden met wat je kunt ervaren of hebt ervaren. De omgeving waarin je zelf bent, de wisselwerking met die omgeving – thuis voor de buis – blijft bepalend voor je gedrag. Emotionele momenten van anderen die je op televisie ziet, het tempo en de omstandigheden van die emoties worden verschijnselen die niet in jouw eigen ervaring betekenis krijgen, maar worden gekende verschijnselen waaraan modelmatig betekenis wordt of kan worden toegekend. Het is een scheiding van verschijnsel en context: je ziet bijvoorbeeld de schade en het leed, maar omdat je zelf niet in die context staat, kun je je alleen maar cognitief – in denken – met die anderen verbinden. Je weet hoe erg het voor de ander is, je wilt er ook wel wat aan doen, maar je staat niet in die toestand en ervaart het ook anders. Televisie is bij uitstek een medium dat het scheiden van context en verschijnsel in de hand werkt. Wie zich echt wil verbinden gaat naar de persoon in kwestie of wil met hem persoonlijk contact. Dan ben je even in de toestand van de betreffende gebeurtenis, maar dat wil niet zeggen dat je er dan ook mee in wisselwerking staat.
  3. Je bent niet communicatief verbonden met degenen die je ziet. Je kunt niet met hen in contact komen: je kunt niet met hen praten, geen vragen stellen. Je bent afhankelijk van wat je voorgeschoteld krijgt. Je bent passief. Door het communicatieve vacuüm ontstaan: nieuwe machtsdefinities die bepaald worden door iedereen die zich erop beroept de kijker te representeren en zichzelf als zodanig weet te presenteren; verschillende vormgevingen van representatie van kijkers, zoals panels, permanente enquête van een publiek.
  4. Zodra mediale beelden worden ervaren als realiteit is een toestand bereikt die fundamenteel afwijkt van de toestand die we onder het moderne hebben beschreven. Bijvoorbeeld de aankondiging van de verloving van Willem-Alexander met Máxima is een gebeurtenis die als televisiegebeurtenis betekenis heeft: hoe de simulakra worden ervaren is minstens net zo belangrijk als wat de personen in kwestie op dat moment ervaren.Zo’n aankondiging is het resultaat van een proces dat de personen in kwestie hebben beleefd. Wie zich dat realiseert, begrijpt dat de simulakra van de gebeurtenis op zichzelf betekenis hebben gekregen. De omslag van een cultuur van geletterdheid naar een cultuur van mediaal verbeelden is dan een feit.

Mediale verbeelding creëert een eigen vorm van communicatie over de realiteit. Ze voegt een vorm toe – uitgedrukt in simulakra – aan de vormen die er al waren: oraliteit en geletterdheid. Ze heeft eigen kenmerken die ik voor televisie als dominante vorm van mediale verbeelding opsom:

Televisiebeelden zijn dynamisch.

Als kijker volg je verschijnselen die elkaar opvolgen. Je kunt niet zelf het tempo van beeldwisselingen bepalen of blijven stilstaan bij een beeld dat je van betekenis acht. Het volgende beeld ligt immers al weer voor. Deze dynamische kenmerken komen overeen met de dynamische kenmerken van oraliteit. Het kunnen volgen van beelden die elkaar opvolgen zoals dat ook in de realiteit gebeurt, geeft een getrouw beeld van gebeurtenissen en verschijnselen die elkaar opvolgen, en een veel nauwkeuriger weergave van de realiteit dan je ooit op schrift kunt krijgen. Televisie ontlast het schrijven en inspannen om te formuleren, maar tv-beelden die van betekenis zijn kun je niet vasthouden.Een videorecorder lost dit probleem op, maar eist dat je van tevoren weet welke beelden komen en wat je ervan wilt vasthouden. Het over je heen laten komen van simulakra wordt vervangen door het plannen van wat je wilt zien. Het lijkt meer op het tot je nemen van informatie. Dat is totaal iets anders dan ervaren van simulakra als verschijnselen in de realiteit.

In communicatie domineert beeld over spreken en tekst.

Het zien van een plant zegt meer dan op schrift gestelde woorden die de plant beschrijven. Televisiebeelden maken het mogelijk gedrag van mensen te zien. Je neemt het op een natuurlijke wijze waar. Je hebt de indruk dat je zo iemand beter leert kennen dan via de schrijver van een artikel of boek of de reporter op de radio. Lichaamstaal, kleding, of iemand oud of jong is, rustig of agressief overkomt, zijn kenmerken die domineren over wat gezegd wordt. Met wie je zo’n persoon in kwestie tegelijk op tv ziet, heeft grote zeggingskracht. Volgens Meyrowitz (1985) speelt beeldtaal een veel belangrijkere rol in communicatie dan spreken of schrijven. Uit onderzoek komen (afgerond) de volgende verhoudingen naar voren: beeld 60%, spreken 30%, en schrift 10%. De introductie van televisie heeft tot gevolg gehad dat communiceren in beelden, op televisie verschijnen veel belangrijker voor informatieoverdracht zijn geworden dan berichten in kranten, tijdschriften of op de radio.Dat wil niet zeggen dat berichten op de radio of teksten, zoals boeken of artikelen, minder betekenis hebben dan wat op televisie wordt uitgezonden.

Vasthouden van aandacht bepaalt vorm.

Er is geen verbinding met kijkers. Hun reacties zijn niet direct waar te nemen en mensen kunnen niet direct reageren. Er is geen verbinding tussen mensen die zich over en weer uitspreken zoals dat in een orale cultuur bestaat. Je wordt verplicht je via televisie zodanig te uiten dat kijkers geen moment de kans hebben zich te vervelen. Verrassen, aandacht trekken en vasthouden zijn essentieel bij mediaal verbeelden.

Dat leidt tot een aantal vormkenmerken die je in programma’s kunt terugvinden:

  • Overgangen maken die de aandacht vasthouden. Elke programmamaker weet dat als overgangen onnatuurlijk zijn, de kijker onmiddellijk weg is. Als iemand bijvoorbeeld de deurknop vastpakt, de deur opent en achter zich dichtdoet, is dat een moment waarop overgang naar een andere situatie mogelijk is. De programmamaker weet op welk moment hij kan switchen naar andere situaties en onderwerpen, hoe dat kan, wat wel en niet werkt. Er ontstaat een gewenning aan vormen van overgang die de kijker niet meer opmerkt. Zulke overgangen worden onderdeel van de cultuur.
  • Weglaten wat niet boeit of bindt, is een ware kunst geworden. De programmamaker bepaalt wat hij wel of niet uitzendt. Niet de inhoud van de boodschap staat centraal, maar wat effect heeft.
  • Toevoegen van effecten. Interpretatie van beelden kan worden gemanipuleerd door deze aan te vullen met geluiden of beeldvolgorde of beeldritme te manipuleren. Je kunt bij dezelfde beelden meerdere virtuele realiteiten scheppen: rustige klassieke muziek bij natuuropnamen, romantische muziek als een paartje een wandeling maakt of in een bootje zit. Manipulatie van beelden en beeldritme maakt het mogelijk te benadrukken dat de beelden simulakra zijn waarmee het virtuele effect wordt versterkt.
  • Dicht blijven bij wat mensen beweegt, hun emoties. Daaraan zijn drie kenmerken te verbinden: 1. Wat nu voor mensen een rol speelt, trekt meer aandacht dan het tijdloze. 2. Wat verondersteld wordt dat mensen zal boeien en hun aandacht heeft wordt herhaald totdat het geen aandacht meer trekt. 3. Plaatselijke ontwikkelingen waarop mensen betrokken zijn, houden gemakkelijk aandacht vast, tenzij er regionaal en landelijk onderwerpen spelen die betrokkenen ervaren als belangrijk en van invloed. Je neemt waar dat plaatselijke autoriteiten in aanzien stijgen. Bijvoorbeeld burgemeesters van grote steden vergeleken met ministers, wethouders vergeleken met kamerleden.

Maar er is ook iets over de kijker te zeggen:

  • De kijker is gedwongen passief te zijn. Televisie bindt de kijker. Hij kan niets terugzeggen, kan moeilijk tegelijkertijd iets anders doen, want dan mist hij beelden. Televisie reikt aan, verwacht afname en begrip. Afwijzen is een ander programma kiezen of iets anders gaan doen.
  • Televisie is een interventie in een omgeving. Televisie kan geen verbinding aangaan met de context waarin een kijker op enig moment staat. De televisiemaker kan hooguit rekening houden met patronen in het dagelijks leven van kijkers en zijn programma’s daaraan aanpassen.
  • Televisie schept een eigen aparte context in de omgeving van de kijker. Televisie domesticeert mensen. De plaats waar het toestel staat, wordt een verzamelplaats van mensen die kijken. Ze kunnen praten over beelden die ze zien. Maar het is onmogelijk lang bij beelden stil te staan en zo diepgang te bereiken, omdat de volgende beelden alweer de kamer in komen. In een omgeving waar een toestel aanstaat, is het rustig en wordt geconsumeerd. Men deelt er emoties, maar weinig ideeën. De cafébaas weet dit als geen ander.
  • Televisie roept een nieuwe vorm van machtsdefinitie en conflict op. Wie bepaalt waarnaar wordt gekeken? Degene die dat kan bepalen, maakt zijn dominantie over de anderen expliciet herkenbaar: hij heeft de afstandsbediening. Om daaraan te ontkomen zijn er steeds vaker meerdere toestellen in één huis. Het effect daarvan is dat sociale samenhang van een besloten groep wordt gereduceerd: mensen zijn niet meer samen en kunnen moeilijker betekenis delen. Wie de groep verlaat, pleegt een interventie en verzelfstandigt in de groep.

Er zullen nog veel meer kenmerken met televisie te verbinden zijn, maar dit overzicht volstaat om er structurele verschijnselen in de samenleving mee te kunnen verbinden.

1.3.3 Domeinen die zijn ontstaan in gebruik van het medium televisie

Televisie had in potentie een aantal mogelijkheden, die in de loop van de tijd in wisselwerking met de omgeving vorm kregen. Omgevingen verschilden en daarmee ook de vormgeving die ontstond. Als je bedenkt dat cultuurverschillen, de organisatie rond het medium, kijkdichtheid, en de mogelijkheden van het medium in relatie tot de hiervoor genoemde aspecten de vormgeving bepalen, is het vanzelfsprekend dat de vormgeving die in Nederland ontstond verschilde met die in bijvoorbeeld Duitsland of de VS. In elke cultuur zullen op een – voor die cultuur kenmerkende – manier de volgende vormen van televisie maken zichtbaar worden. We noemen ze ‘domeinen’:

Domein 1: ‘televisie als venster op de wereld’

Toen in de jaren 50 televisie opkwam, werd de westerse samenleving gekenmerkt door het moderne. Mensen beschouwden televisie als een venster op de wereld, als een middel om beter te zien en te weten wat er overal gebeurde. Bekijken van beelden zou helpen contexten van mensen beter te (her)kennen. Dat moest leiden tot rijkere concepten die antwoord konden geven op vraagstukken of ontwikkelingen die als ongewenst werden ervaren. Televisie als instrument van en in het moderne.

De verslagen in de krant en op de radio waren verhalen, je zag niets. Televisie zond beelden, gaf meer informatie. Met het medium werd geregistreerd wat eerder op radio werd uitgezonden, en meer: van sportuitzendingen tot natuurfilms, van bioscoopfilms tot toneelvoorstellingen, van kerkdiensten tot concerten, van actualiteiten tot voorlichting. Het medium presenteerde de realiteit en was venster op de wereld. Binnen tien jaar stond in vrijwel elk huishouden een toestel. Een televisie was een statussymbool dat paste in de set die mensen in de jaren 50 het gevoel van vooruitgang gaf: koelkast, wasmachine, televisie. In de jaren 60 veranderde die set in kleurentelevisie en auto. Meer dan enig andere technische vondst bracht televisie een revolutie teweeg in het beleven en waarnemen van de samenleving en zorgde voor een ander gevoel van in de wereld staan. De invloed van televisie op het beleven en waarnemen van samenleven is te vergelijken met de invloed van de computer op organiseren.

Domein 2: ‘televisie als verbinding in de wereld’

Met de toename van toestellen veranderde ook het programma-aanbod: van één avond naar meerdere avonden; van een paar uur per avond naar de hele avond. Presenteren van de realiteit werd uitgebreid met commentaar en meningsvorming. Het domein dat ontstond is te typeren als verbinding in de wereld. Het medium werd communicatief kanaal van meningen en oordelen waarvan een breed publiek kennis kon nemen. De achtergrond van waaruit men communiceerde, maakte verschil en bepaalde variëteit in programma’s en programmering.

Domein 3: ‘televisie schept een eigen wereld’

Het programma-aanbod werd avondvullend. Het fenomeen dat kijkers zich rond de buis verzamelden en daar de avond doorbrachten vroeg om een daarbij passende invulling. Alle mogelijkheden van televisie moesten worden aangesproken om die tijd te vullen. De specifieke mogelijkheden van het medium die in potentie aanwezig waren, bleken niet alleen bruikbaar voor de twee hiervoor genoemde domeinen, maar ook voor reclame, om jezelf bekend te maken, om mensen bezig te houden, voor entertainment. De discussie over het medium in termen van venster op de wereld of als communicatief kanaal veranderde in een discussie over functionaliteit. Het medium werd niet langer gezien als een verbeterde radio, maar kreeg een eigen dimensie. Het publieke doel waarmee het begon – venster op de wereld en communicatiekanaal – werd een van de mogelijke functies. Er ontstonden politieke discussies over macht van degenen die het medium konden programmeren en over structuren om die macht te controleren. Die discussie duurt voort tot de dag van vandaag.

Elke functie roept een eigen vorm van gebruik van het medium op. Zo was reclame een enorme impuls voor een andere vorm van programmering. Reclame moet verrassen, aandacht trekken, in de eerste plaats voor nieuwe producten, maar ook voor namen van bedrijven. Het medium is dan niet meer een venster op de wereld of communicatieplatform, maar maakt een eigen wereld, geïnspireerd op wat wordt aangeboden.

Entertainment vraagt om programma’s waarin mogelijkheden van het medium op weer een andere manier worden gebruikt. Er ontstond programma-aanbod voor spelletjes, quizzen, soaps, seks. Het medium als avondvulling en als middel om reclame te maken versterkten elkaar en pasten zeer goed bij een formule om met televisie geld te verdienen. Er ontstond een nieuw domein: televisie schept een eigen wereld, opgebouwd uit items en beelden die tot dan toe niet in de realiteit voorkwamen, specifiek zijn voor het medium en als zodanig herkenbaar blijven.

Domein 4: ‘televisie is de wereld’

Dit domein ontstaat wanneer televisie zover in de wisselwerking van mensen met hun omgeving is doorgedrongen, dat communicatie via beeld de vanzelfsprekende vorm is geworden. De webcam past hierbij, telefoon met beeld, videocamera’s, het regelen op afstand via beeld. Beeld is belangrijker dan de inhoud die het representeert. Elementen uit de orale cultuur komen terug in een vorm die past bij mediale verbeelding: wie er kijkt, wat aanslaat, de plaats van actie, dit alles domineert inhoud.

In dit domein wordt het mogelijk ontwikkelingen van entiteiten – planten, dieren, mensen – en processen – zoals bouw van bruggen, verzorging van patiënten, gedrag van burgers in ruimten – tot in detail en voortdurend te volgen. Maar alleen als het aandacht trekt, krijgt het betekenis.

In dit domein wordt wat met een camera gevolgd en bekeken kan worden de realiteit. Het beeld dat aandacht krijgt boven alle andere beelden domineert en wordt herhaald. Het ligt voor de hand dat beelden die zichtbaar maken wat eerder verborgen bleef, aandacht trekken, totdat het zo gewoon is dat het geen aandacht meer krijgt. Het wordt dan niet meer herhaald.

De volgende vormen van televisie maken zijn in dit domein te plaatsen:

  • Het confronteren van mensen met de camera en hen zo dwingen tot sociaal aanvaardbare uitspraken, omdat ze er anders door hun omgeving op zullen worden aangesproken.
  • Het simuleren van de realiteit waarin het mogelijk is intieme of zeer persoonlijke ervaringen in beeld vast te leggen. De doorbraak tot zelfstandig domein van televisie maken kreeg definitief vorm toen in Nederland programma’s als Big Brother en De Bus werden geproduceerd. Dit type productie breidde zich als een olievlek uit over de westerse wereld. Er kwamen opvolgers als Expeditie Robinson en Big Diet.
  • Het idee de realiteit te simuleren was in het begin van de jaren 90 ook duidelijk waarneembaar in de journalistieke rubrieken toen men beelden construeerde, daarvan opnames maakte en die als realiteit uitzond. Of journalisten vroegen mensen uitspraken te doen die ze zelf bedacht hadden en presenteerden die vervolgens als mening en feit.

De producent van aandachttrekkende beelden domineert. Voor hem of haar geldt: ‘televisie is de wereld’, wat aandacht krijgt heeft betekenis. Mensen die menen dat andere betekenissen worden aangetast, krijgen als antwoord dat deze producties passen in het domein ‘venster op de wereld’ of ‘verbinding in de wereld’. Omdat wat aandacht krijgt sterk wordt bepaald door wat eerder verborgen bleef en omdat degene die bekeken wordt schade kan oplopen, zal de producent een sterke eigen motivatie hebben om te produceren. Die motivatie kan bepaald zijn door een ideaal, dan wel door een gematerialiseerd eigenbelang.

In het domein televisie is de wereld heeft televisie haar voorlopig finale stadium bereikt: de wereld draait om de camera, de realiteit ontwikkelt zich rondom en vanwege het vermogen ontwikkelingen in processen en entiteiten te kunnen opnemen en aan een breed publiek te tonen. Het eerste domein ‘televisie als venster op de wereld’ en het ontstaan van het vierde domein ‘televisie is de wereld’ markeren de ontwikkeling van televisie over een periode van 50 jaar.

1.3.4 Kenmerkende overgangen

Als mediale verbeelding eenmaal in een samenleving is ingevoerd, aan invloed wint en zich ontwikkelt zoals geschetst, zal deze langzaam maar onontkoombaar bepalend worden voor de manier waarop mensen de wisselwerking met hun omgeving waarnemen, eraan deelnemen en daarover oordelen ontwikkelen. De karakteristieken van een als modern getypeerde samenleving waarin mensen geletterd zijn, waarin denken en concepten domineren, zullen veranderen. Er ontstaan nieuwe verschijnselen die zijn gerelateerd aan de overgang naar een mediale beeldcultuur en aan inmiddels beschikbare vormen van technologie die we hebben leren gebruiken.

1. Van het specifieke via conceptualiseren naar meningen geven

De overgang van het specifieke naar het conceptuele was kenmerkend voor de overgang naar het moderne. De introductie van mediale verbeelding schept een toestand waarin je de dynamische karakteristiek van beelden volgt en niet meer de gelegenheid hebt in een eigen tempo te denken over verschijnselen die je van betekenis acht. De mogelijkheid tot ontwikkelen van ideeën en concepten die zo sterk is verbonden met schrijven en lezen, verdampt vanwege mediale verbeelding. Wie een avond televisie gekeken heeft, zal ervaren dat de avond is doorgebracht, maar dat er weinig is gedacht of gediscussieerd. De opeenvolging van beelden leidt niet tot zoeken naar ordeningen of concepten, maar tot toetsing van eigen opvattingen. Dat kan impuls worden tot verdieping.

Als de toestand waarin mensen staan door zo’n vorm van wisselwerking wordt gedomineerd, zullen ze na verloop van tijd uitspraken opvatten als opinies. Ze behandelen uitingen niet als een bijdrage om te komen tot overeenstemming over een idee, maar als beelden die anderen afgeven en meer niet. Wat de ander zegt is voor die ander relevant, maar meer ook niet. Je verbindt je er niet mee, tenzij je er zelf ook betekenis aan kunt geven. Conceptualiseren als kenmerk voor het ‘proberen te ordenen’ gaat over in ‘meningen geven’.

2. Van het situationele via het generale naar het eigen territorium

In een orale en geletterde cultuur zie je beelden in de context waarin je staat. Er kunnen beelden in jezelf ontstaan – al dan niet geholpen door een boek of het verhaal van anderen. Wat je waarneemt wordt steeds bepaald door wat je ervaart in de situatie waarin je staat en leeft. Gebeurtenissen overkomen je. Je kiest zelf de beelden en situaties die je van betekenis acht. In een geletterde cultuur zul je binnen jezelf zoeken naar ordeningen en die bedenken. Als ze algemeen geldend zijn geef je die meer betekenis dan situatiegebonden verschijnselen in een orale cultuur.

Bij mediale verbeelding treedt een spagaat op. Enerzijds blijft het hiervoor beschreven fenomeen bestaan: in de omgeving waarin je staat geef je betekenis, je bedenkt ordeningen. Maar anderzijds komen beelden langs uit omgevingen die anderen voor je hebben gekozen en die onderdeel worden van de situatie waarin je staat. Er is een keuze van beelden geweest, er zit een hulpmiddel tussen wat je ziet en wat er is. Je kunt wel zelf een tv-kanaal kiezen, maar daarmee ontsnap je niet aan de keuze die een ander voor je heeft gemaakt. Wat je kunt en zult doen is kanalen en programma’s kiezen in het domein van mediale verbeelding dat past bij de situatie waarin je staat.

Die situatie is dubbel: enerzijds bindt een televisieprogramma mensen aan hetzelfde toestel, zodat als je in een groep bent, de groep de keuze zal beperken als je je wat aan de groep gelegen laat liggen. Anderzijds kun je zelf programma’s kiezen die mensen aan het toestel binden of juist niet. Televisie is op deze manier een krachtig regelmechanisme van de eigen omgeving. Het aanzetten of aanstaan van een televisie en de keuze van het programma definiëren de toestand in de omgeving en bevestigen de macht van degene die dat kan bepalen. Met televisie kun je een ruimte afbakenen en daarbinnen een hiërarchie ontwikkelen van zeggenschap over programmakeuzes. We kunnen waarnemen dat my home is my castle een nieuwe dimensie heeft gekregen. Naast een huis dat bescherming biedt tegen invloeden van buiten, is het een territorium geworden, een ruimte die jij beheerst, waarin je beelden over en van de buitenwereld ontvangt. Je bent er jezelf, je kunt er autonoom zijn en onafhankelijk. Je bent selfsupporting, richt je eigen wereld in en maakt keuzes uit het brede spectrum van ruimtelijke mogelijkheden waarvan beelden via televisie tot je zijn gekomen. Je deelt met omwonenden geen activiteiten maar faciliteiten. In het delen van faciliteiten ben je op anderen in je omgeving betrokken.Voor een uitgebreide beschouwing zie D. Morley (2000).

3. Van het tijdelijke via tijdloze naar persoonlijke tijd

De overgang van het tijdelijke naar het tijdloze die eeuwen in beslag nam, is de laatste 25 jaar nog steeds herkenbaar. Maar er is nu duidelijk sprake van een overgang naar een ander tijdsbesef. Dat kun je als volgt waarnemen: in een orale cultuur sta je in de wereld die je met anderen deelt. De indeling van tijd is bepaald door de gebeurtenissen die zich afspelen en het patroon dat daarin is ontstaan: opstaan als de zon opkomt, naar bed gaan als het donker is geworden, de herder die naar zijn dorp gaat als bloemen op de hei in bloei raken, omdat hij weet dat hij dan in zijn dorp moet helpen bij de oogst. Op dinsdag komt de koets en op donderdag is er markt. Hall (1983) spreekt van synchronische tijdsbeleving. Zo’n tijdsbeleving, bepaald door lokale gebeurtenissen, heeft lang het leven van alledag gedomineerd. Ze is verbonden met plaats en gebeurtenis en is door Toulmin ‘het tijdelijke’ genoemd.

Pas toen de trein plaatsen in Nederland met elkaar verbond en een rooster noodzakelijk werd, zodat je kon weten wanneer een trein waar vandaan vertrok en gedacht werd aan te komen, werd er voor heel Nederland één kloktijd afgesproken. Daarvoor waren tijdsverschillen van een kwartier tussen Oost en West-Nederland verbonden met de opkomst en ondergang van de zon. Tot ver in de jaren 50 was maandag wasdag, zondag rustdag, vrijdag visdag. Het is een vorm van synchronische tijdsbeleving waarbij die gebeurtenissen het programma van de betreffende dag van de week bepaalden.

Kloktijd is icoon van monochronische tijdsbeleving. Het goedkope horloge en klokken op voor iedereen zichtbare plekken markeren de overstap naar een tijdsbeleving bepaald door nauwkeurige indeling van de tijd. Gebeurtenissen zijn dan niet meer maatgevend voor tijd, maar wat een klok aanwijst. Kloktijd past bij het moderne waarin (gedachte) concepten domineren: je bedenkt wat je op welk moment wilt doen of gedaan wilt hebben. Kloktijd maakt het mogelijk nauwkeurig ‘tijd’afspraken te maken, de dag onder te verdelen in uren, minuten en seconden. Je verdeelt tijd in gedachte activiteiten. De bureaucratie volgens Weber waarbij de samenleving zo is ingericht dat mensen op dezelfde tijd beschikbaar zijn om te werken, is niet denkbaar zonder monochronische tijdsbeleving.

Monochronische tijd krijgt een andere betekenis als mensen uit verschillende tijdzones met elkaar communiceren. Televisie en moderne communicatiemiddelen hebben daarin een grote rol gespeeld: vanaf het moment dat het mogelijk werd live-beelden uit de hele wereld in een huiskamer te brengen of real time met iemand in een andere tijdzone te communiceren, werd kloktijd weer plaatsgebonden. Alleen is die plaats een tijdzone, waarbinnen de beleving van tijd monochronisch is gebleven.

Er is een infrastructuur ontstaan, bepaald door technische hulpmiddelen die uitnodigen tot keuze van gebeurtenissen, inrichting van je leven, van dag en nacht naar eigen wensen. Je plant waar je wilt zijn en kiest televisieprogramma’s die de indeling van de week markeren, want zo kun je het wel noemen als je de technologische ontwikkelingen ziet:

  • Je bent mobiel, reist per auto, vliegtuig, fiets en trein. Je bent altijd bereikbaar via e-mail of gsm.
  • Je geeft minder om verschillen van dag en nacht of gebruikt die juist. Elektriciteit helpt om verschillen in dag en nacht minder invloed te laten hebben op de inrichting van je leven.
  • Je kunt eten wanneer je wilt. De koelkast zorgt ervoor dat eten minder snel bederft en dat je bijna altijd wel iets te eten hebt.
  • Je hebt je favoriete televisieprogramma en houdt daar rekening mee. Je weet op welke dagen ER, Friends of voetbalwedstrijden worden uitgezonden.

Technologie bevordert onafhankelijkheid: mensen kunnen hun leven (planmatig) inrichten naar eigen ideeën en concepten. Er is een enorme variëteit van leefstijlen en woonvormen ontstaan.

Als veel mensen zo leven, verandert een samenleving, verandert wisselwerking van mensen met hun omgeving. Via moderne communicatietechnieken kun je steeds contact houden met degenen met wie je verbonden bent, ongeacht plaats of bezigheid. De toestand nodigt uit tot plannen maken. Je komt op meer plaatsen, ziet veel meer mensen dan voorheen, maar in de fysieke situatie waarin je staat word je minder uitgenodigd zelf te ontdekken: je belt je partner als je niet weet welke pot groente je in de winkel moet kiezen, of niet weet bij welk huis in welke straat je moet zijn. Je sluit je ongemerkt af voor nieuwe indrukken, nieuwe contacten die kunnen leiden tot nieuwe relaties. Je bent in een toestand waarin je als het ware verbindingen met anderen moet organiseren in plaats van dat verbinding ontstaat en je overkomt. Wie kan organiseren en initiatieven neemt, heeft een veel vollere agenda dan wie passief is en afwacht.

Mensen leven in drie monochronische dimensies van tijd: de tijdzone op de plaats waar ze zijn, sociale tijd bepaald door verbondenheid met degenen op wie ze betrokken zijn en actietijd, bepaald door wat ze (willen) doen. Het beeld ontstaat dat mensen die alles willen gebruiken en aan van alles willen meedoen, voortdurend bezig zijn met plannen maken, agenda’s bijstellen, haast hebben, maar ook lijden onder die druk. Ze kunnen met de mogelijkheden die hun ten dienste staan wel veel contacten organiseren, maar kunnen zich moeilijk met anderen verbinden omdat ze zijn vastgezet door afspraken en niet gemakkelijk aan alle sociale verplichtingen kunnen voldoen. Monochronische tijd is overgegaan in persoonlijke tijd: mensen hebben agenda’s waarin ze plannen wat ze (kunnen) doen en tegelijkertijd tijd reserveren om samen te zijn met degenen op wie ze betrokken zijn.

1.3.5 Kenmerkende maatschappelijke verschijnselen in het postmoderne

Door de hiervoor genoemde veranderingen is een totaal andere toestand ontstaan dan die in de periode voor 1975.De overgang volgens Toulmin. Die nieuwe toestand wordt gewoonlijk het postmoderne genoemd. De kenmerken zijn in §3.4 beschreven, maar die zijn erg abstract. Daarom worden hier enkele minder abstracte verschijnselen genoemd die kenmerkend zijn voor ontwikkelingen in de maatschappij en die gemakkelijk herkend kunnen worden. Een greep uit een overvloed:

Sturen op concepten wordt in het postmoderne vervangen door sturen op basis van wisselwerking met de omgeving.

  • Ideologische concepten verliezen hun vermogen om de maatschappij te ordenen. Politieke partijen hebben daar last van. Ze kunnen hun aanhang niet meer organiseren op basis van een concept, maar op basis van onderwerpen die aandacht trekken en gesteund worden. Ze associëren met het derde domein van televisie maken: ‘televisie schept een eigen wereld’. Of concepten nog voldoende bijval krijgen, kan men niet bedenken; dit moet blijken uit de wisselwerking van zo’n organisatie met de omgeving waarin ze staat.
  • De meeste organisatievormen zijn ontstaan in het moderne en hebben zich de afgelopen eeuwen ontwikkeld. Elke organisatievorm is een specifieke invulling van de ruimte die de samenleving aan een organisatie geeft om haar eigen belangen na te streven en daarover maatschappelijke verantwoording af te leggen. Dat ziet er voor een stichting anders uit dan voor een NV, Vof, coöperatie of maatschap.
  • Binnen een organisatie streven leden van de toporganen naar overeenstemming over een invulling van het concept van de organisatie, dat daarna gerealiseerd moet worden. Dat is te herkennen als: de raad van commissarissen, de raad van bestuur en directies worden het via overleg eens over doelen die ze zullen nastreven en die passen bij het concept van de organisatie. Ze gaan uit elkaar en wie in het moderne staat, meent dat hij mag verwachten dat iedereen overeenkomstig de gemaakte afspraken handelt.Habermas heeft dit gedefinieerd als ‘Kommunikatives Handeln’, waaraan hij strenge voorwaarden verbindt. Habermas staat in het moderne. Zie hoofdstuk VI.
  • In het postmoderne gaat dat anders: mensen geven opinies, die niet bedoeld zijn als bijdragen om via discussie met elkaar tot overeenstemming over een concept te komen. Binnen raden van bestuur of raden van toezicht geeft iedereen zijn eigen mening, die niet gericht hoeft te zijn op het bereiken van overeenstemming. Uiteindelijk gebeurt datgene wat de machtigste in zo’n situatie wil of kan bewerkstelligen. Degenen die in het moderne staan, ervaren dit verschijnsel als verval of verlies van kwaliteit van een organisatie. Bestuur dat gericht is op doorgronden van wat er gebeurt en dat maatschappelijke ontwikkelingen kan beschrijven en bevorderen, verliest aan invloed.
  • Concepten moeten worden gebruikt voor het ontwerpen van concrete dingen zoals systemen waarmee producten of diensten worden gemaakt. Wie belast is met de realisatie en het beheer ervan heeft een machtspositie. In het algemeen zijn dat managers. Zij richten zich op het stellen en realiseren van concrete doelen. Onder de vlag ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ probeert men dan vanuit de samenleving het gedrag van managers te beïnvloeden om zo veilig te stellen wat maatschappelijk relevant is.
  • Als het in grote groepen niet meer lukt overeenstemming te bereiken over maatschappelijke concepten en mensen uitingen van elkaar zien als opinies, ontstaat er zo’n variëteit in opvattingen, dat mensen slechts kennis kunnen nemen van wat anderen ergens van vinden. Concepten kunnen hooguit in kleine groepen gedeeld worden of worden door iemand die macht heeft opgelegd. De invloed van inspraak is niet meer belangrijk – elke uitspraak is immers een opinie, maar wel het aantal personen dat aangeeft met een bepaalde opinie in te stemmen. Een opinie is geen concept; je kunt de ene opinie gemakkelijk inwisselen voor de andere. Overtuigen is niet meer bepalend voor aanhang, maar mensen verleiden tot volgen. Hoe meer volgers, hoe groter de invloed van een opinie.
  • Een organisatie geeft met een alomvattend concept hooguit aan wat voor haar betekenis heeft. Anderen kunnen zich er misschien in herkennen en er nader mee willen kennismaken. Het is een beeld van een organisatie, maar dat niet bepalend is voor haar daden. Vormen die aandacht trekken, het ontwikkelen van concepten in kleine groepen zijn nu belangrijk voor organisaties, in plaats van het formuleren en communiceren van één alomvattend concept. Organisaties die zo zijn ingericht dat ze ‘beloond en gestraft’ worden in wisselwerking met de omgeving, passen bij het postmoderne. Een markt waar vraag en aanbod elkaar ontmoeten is dan een effectief vehikel.

Ouderen die geboren zijn in een periode dat het moderne vigeerde, hebben een vooringenomenheid voor vormgeving en wisselwerking die daarbij past ontwikkeld.

Ze ervaren de overgangen uit §3.4 als verlies van wat er voor hen toe doet. Ze zullen proberen te herstellen wat in hun ogen verloren is gegaan. Het is een vorm van restauratie, een roep om herstel van normen en waarden en blijven volharden in vormen van organiseren die niet meer passen bij de toestand waarin zij en de organisaties die ze leiden, staan. Ze nemen waar hoe de grootte van een coalitie op basis van een alomvattend concept afbreekt en hoe het organiseren van aandacht scoort. Een prachtig voorbeeld is te vinden in de publieke omroep:

Omroepverenigingen
Omroepverenigingen die ontstonden op grond van een levensovertuiging, zagen omroep eerst als middel. Ze maakten tv volgens ‘televisie als venster op de wereld’ en ‘verbinding in de wereld’ en moesten bij introductie van het domein ‘televisie schept een eigen wereld’ opschuiven in hun programma’s.Dat fenomeen was al eerder bij radio-omroep zichtbaar geworden. De TROS kwam als nieuwe omroep die helemaal in dat derde domein stond. Omdat VPRO, VARA, KRO en NCRV opschoven van een positie die werd herkend als ‘verbinding in de wereld’, naar een mix met domein 3, ontstond ruimte voor het ontstaan van de EO die consequent in domein 2 stond en overeenkomstig televisie maakte. De ontwikkeling van de EO is een graadmeter van het vermogen televisie te maken op basis van een concept dat een grote schare aanhangers verwerft. Bij consistente vormgeving vanuit domein 2 is zij een graadmeter van het veranderingstempo in en van de samenleving.Anno 2002 maakt ook de EO programma’s in domein 3.
De overheid en politiek zien de publieke omroep als functie van samenleving en maatschappij. In hun denken representeert de politiek de samenleving, en de overheid de maatschappij. Politiek en overheid zien de publieke omroep als instrument om doelen te bereiken die zij namens samenleving en maatschappij mogen stellen. Inmiddels zijn politieke partijen op weg in een postmoderne samenleving: ze maken verkiezingsprogramma’s alsof het marketingplannen zijn. De meeste partijen hebben in de jaren 90 afscheid genomen van het moderne en zagen in dat coalities organiseren op basis van maatschappelijke concepten ‘zijn beste tijd heeft gehad’. De ontwikkeling van politieke partijen is een afbeelding van eigentijdse ontwikkelingen.
De manier van organiseren die gebruikt wordt om de publieke omroep in te richten, kan niet meer uitgaan van conceptualiseren, want dat past niet meer in onze tijd. Zodra televisiemaken domein 3 bereikt, zullen omroepen in wisselwerking met de omgeving worden uitgenodigd te verzelfstandigen. Dat is niet op voorhand strijdig met de vormgeving van omroepen zoals we die nu kennen: omroepverenigingen en -stichtingen zijn gebaseerd op wisselwerking met de omgeving. Wel zouden deze volledig au serieux genomen moeten worden. Voor sommigen lijkt dat teruggaan in de tijd, op restauratie, maar het tegendeel is waar: de huidige omroepen zullen overeenkomstig de essentie van hun bestaan hun oorspronkelijke vorm een eigentijdse inhoud moeten geven waarbij het publiek op een doorslaggevende manier laat weten wat het ervan vindt en daarmee invloed heeft. Anders ontstaat een toestand waarin omroepen kunstmatig in stand gehouden worden. Ze worden dan op allerlei gronden tot verdediging van hun positie gedwongen. De kernvraag is wanneer organisaties binnen de publieke omroep er aan toe zijn een verzelfstandigde publieke omroep te kunnen dragen.
  • Zoeken naar waarheid of ordening die algemeen geldig is, raakt in verval. Aandacht voor het plaatselijke, het specifieke, het bij het eigen territorium passende komt ervoor in de plaats. Het nastreven van concepten om de wereld te verbeteren gaat over in het nastreven van concepten om het lokale, het private te verbeteren. De universiteit is in onze tijd genoodzaakt zich te handhaven door de definitie van wetenschap te transformeren in kennis over en vaardigheid in het realiseren van systemen. Een hoogleraar wordt steeds meer beoordeeld op de invloed die hij maatschappelijk heeft en die in wisselwerking met de omgeving tot uitdrukking komt. De opkomst van de bijzonder hoogleraren is er een voorbeeld van.Tegenstanders van deze vorm van hoogleraarschap baseren zich op de klassieke invulling van een universiteit.
  • Simulakra domineren de realiteit. De bekendmaking van de verloving van prins Philip van België en Mathilde gebeurde in een tv-uitzending in domein 1. Toen Willem-Alexander en Máxima hun verloving bekend maakten, werd een tv-uitzending gemaakt in domein 4. Zeer veel Nederlanders lezen geen krant en zijn geïnteresseerd in het specifieke, het plaatselijke en het persoonlijke. Voor hen zijn feiten: de beelden die ze van de ander zien. Wie zich realiseert hoe natuurlijk de aankondiging in Nederland voor het oog van de camera was, kan niet anders dan vermoeden dat de personen in kwestie het besluit van de verloving natuurlijk al eerder hadden genomen, maar dat het voor hen pas voor de camera realiteit werd. Willem-Alexander, Máxima, de koningin en prins Claus lijken heel goed begrepen te hebben in welke tijd ze leven en leven ernaar.Dat kun je niet zeggen van degenen die zeggen dat de republiek moet worden hersteld: zij denken nog vanuit grote concepten en voeren van daaruit argumenten aan. Haagse politici hebben het ook goed begrepen: de vader van Máxima mocht bij het huwelijk niet tegelijk met de Koninklijke Familie op tv worden gezien. Duidelijker maken dat mediale verbeelding domineert, lijkt niet mogelijk. Nog een voorbeeld: uit onderzoek van het CITO blijkt dat verreweg de meeste jonge mensen die van de middelbare school komen, de steden op een kaart van Nederland niet meer kunnen aanwijzen, laat staan in de wereld. Dat hoeft ook niet als je via internet een plaatsnaam intikt en krijgt uitgeprint hoe laat je op welk perron of vliegveld moet zijn. Noord en zuid verliezen hun betekenis. Het weerbericht wordt vervangen door een webcam die het weer ter plekke laat zien. Het kaartje van de televisieweerman met duidingen van plaatsen hoort bij domein 1 en een andere tijd.
  • Het gewicht van kunst en vormgeving groeit. Als opinies wisselwerking met de omgeving domineren en inhoud minder belangrijk wordt, zullen mensen ervaren dat de manier waarop ze iets uitdrukken – de waardering voor vorm – belangrijker wordt. Elke uiting is te zien als een persoonlijke expressie van de betekenis die een verschijnsel voor iemand heeft. Wat kunst is en wat niet, is minder dan ooit onderscheidbaar. Kunst wordt ontdaan van haar elitaire karakter. Wie dat niet gelooft, moet eens gaan kijken bij de culturele rondjes in dorpen en steden. Het gewicht van esthetiek en retoriek wordt in het postmoderne vergelijkbaar met het gewicht dat wetenschap in het moderne heeft.

1.4 Verwarring over betekenis als icoon van onze tijd

1.4.1 Over virtual reality

In de ontwikkeling van de mensheid is de rode draad: natuurlijke wisselwerking met de omgeving, gebaseerd op mogelijkheden en eigenschappen van mensen. De explosie van hulpmiddelen op allerlei terreinen vanaf de 16e eeuw – het begin van het moderne – is onmiskenbaar en kan gezien worden als bewijs van de kracht ervan. De natuurlijke tijd gebaseerd op gebeurtenissen, is vervangen door monochronische tijd, de tijd van de klok. Waar iemand in een uur kan zijn, wordt bepaald door het vervoer dat hij kiest. De temperatuur die hij voelt wordt gereguleerd door kleding, behuizing en vorm van transport. Lamplicht maakt het mogelijk dat we leven volgens plan en minder volgens een bioritme, elektrische energie zorgt ervoor dat mensen minder kracht hoeven te gebruiken. Leven volgens plan wordt bevorderd door pijnstillers, pillen om geen kinderen te krijgen, pillen om te slapen of juist niet wanneer je dat wilt. Eten wordt geproduceerd in industriële complexen en is het hele jaar door beschikbaar. In de koelkast blijft het langer vers. En nu aan het begin van de 21e eeuw wordt gentechnologie ontwikkeld om de conceptie van mens, plant en dier te bepalen.

Al deze hulpmiddelen hebben één eigenschap gemeen. Mensen plaatsen een hulpmiddel tussen henzelf en hun omgeving. Ze staan niet meer in directe natuurlijke wisselwerking met hun omgeving, maar via dat hulpmiddel. Er komt iets tussen hen en de realiteit. Er ontstaat een virtual reality: de wisselwerking met de omgeving is niet direct, maar verloopt via het hulpmiddel dat tussen de realiteit en jezelf is geplaatst.

Veel hulpmiddelen konden ontstaan omdat er eerst andere waren. Een fiets kon niet ontstaan zonder wiel; er moest ijzer uit ijzererts kunnen worden gewonnen, metaal moest worden bewerkt. Kortom, er is een eindeloze rij vondsten geweest om alle hulpmiddelen zoals wij die nu kennen, te maken en in stand te houden. Daar zijn eeuwen overheen gegaan.

Virtual reality is niet van onze tijd, maar van alle tijden. In elke generatie en in elke cultuur ondervinden mensen dat nieuwe hulpmiddelen het mogelijk maken de realiteit anders, nieuw, te ervaren. Elk hulpmiddel leidt tot het anders ervaren van de realiteit. Wie een zonnebril opzet, wie eens door zijn knieën zakt en met zijn handen water uit een beek drinkt in plaats van uit de kraan ervaart dat.

De hulpmiddelen in onze tijd zijn een stapeling van hulpmiddelen, wat leidt tot gestapelde virtual realities. Alleen de meest recente toevoeging, het nieuwste hulpmiddel, ervaren en benoemen we als virtual reality, totdat ook dat weer onderdeel is geworden van onze ervaring. Gestapelde virtual realities zijn onderdeel van de realiteit. Sterker nog, ze kunnen alleen ontstaan omdat een hulpmiddel wordt gebruikt, en dat gebruik wordt herhaald, en dat wordt weer onderdeel van de realiteit en kan zo blijven bestaan. Het wordt gehandhaafd. Steeds meer mensen gaan het gebruiken, het hulpmiddel wordt aangepast en na verloop van tijd in verschillende omstandigheden gebruikt. Op enig moment worden mensen getypeerd als degenen die het hulpmiddel gebruiken en degenen die het niet gebruiken (denk maar aan het gebruik van computers, gsm’s). Het is dan een verzelfstandigd verschijnsel in de realiteit dat kan worden gebruikt om verschijnselen in de realiteit te ordenen.

Virtual realities zijn sterk opgekomen in het moderne, een periode die bevorderde dat mensen concepten ontwikkelden en die realiseerden. De overgang naar mediale verbeelding in onze tijd heeft daaraan veel veranderd: conceptualisering wordt niet langer bevorderd. Bovendien wordt er een bijzondere extra laag van virtual reality aan toegevoegd: wat je ziet zijn simulakra. Daarmee is het fenomeen verbonden, dat de realiteit die je mediaal waarneemt nooit zal overeenkomen met de realiteit die je ervaart als je zelf aanwezig zou zijn in de situatie waar gefilmd wordt.Bij lezen van een tekst ligt dat anders. Dan blijft een grote vrije ruimte over die je met fantasie kunt invullen. Je ervaart bij lezen niet dat je de realiteit waarneemt, maar je ervaart dat je je er een voorstelling van kunt maken waarvan je het idee hebt dat die getrouw overeenkomt met wat je zou zien als je op de betreffende plaats zou zijn. Dat verschil doet ertoe, maar kan niet tot gelding komen omdat je fysiek niet in de toestand staat die met een camera wordt vastgelegd.

Als dit verschijnsel zich elke dag, jaar in jaar uit, herhaalt ontstaat een toestand waarin je daar zo aan gewend bent, dat je het verschil geen betekenis meer toekent. Je gaat oordelen op basis van beelden en niet op basis van de toestand die de beelden representeren. Daartussen zit een enorm verschil – een verlies – aan gevoelens en ervaringen, een verlies aan betekenis.Welke beelden zou men niet moeten uitzenden vanwege het marginaliseren van betekenis die er voor mensen toe doet? Dit fenomeen komt op allerlei manieren tot uitdrukking. Een voorbeeld hoe negeren van betekenis in combinatie met dominantie van mediale verbeelding eruit ziet:

Het tweede paarse kabinet had een minister van Grote Stedenbeleid. Hij stelde commissies in om te onderzoeken hoe problemen in grote steden met informatie- en communicatietechnologie verminderd konden worden. De voorzitter was een bekende publieke figuur. Eén van die commissies kwam met het idee dat het opzetten van internetcommunities mensen dichter bij elkaar kon brengen, zodat de sociale samenhang in buurten en gemeenten verbeterd kon worden. Er zouden miljarden moeten worden vrijgemaakt om zo’n infrastructuur te realiseren. De veronderstelling was dat het schrijven van teksten achter een pc en het sturen en ontvangen van zo’n bericht, dezelfde betekenis heeft als een persoonlijke ontmoeting. Hoeveel betekenis negeer je als je zoiets opschrijft?

Het leek erop dat het de minister (en zijn ambtenaren) niet zozeer om inhoud ging maar om de indruk te vestigen dat ze goed bezig waren. Het feit dat de commissievoorzitter bij het publiek bekend was, stond er borg voor dat beelden op televisie en stukjes in kranten verschenen. Mediale verbeelding in de samenleving is hun realiteit geworden.

Het image dat aan de problemen hard gewerkt wordt, is belangrijker dan de inhoud. De tegenwerping dat er van alles genegeerd wordt, zinkt in het niet. Het doet er niet toe: het gaat om het beeld. Inhoudelijk bezig zijn krijgt publiekelijk geen aandacht, haalt de media niet, tenzij je van inhoud een beeld maakt en dat beeld aandacht trekt. Wie zuiver op inhoud wil scoren, staat in het moderne, conceptualiseert en beschrijft verbanden tussen verschijnselen en de wisselwerking tussen entiteiten en de omgeving. Die vorm van betekenis was dominant, maar is het niet meer. Ze krijgt alleen gehoor in (kleine) groepen die zo’n vorm van betekenis laten domineren.

Het interessante is dat virtual reality een image heeft dat mediaal aandacht krijgt. Het begrip is mediageniek. Als er een nieuwe technologie wordt gelanceerd, draait het om de vraag of aan die technologie een beeld kan worden verbonden dat mediaal communiceert.Clinton begreep dat als geen ander. Hij presenteerde bijvoorbeeld de resultaten van biochemisch onderzoek naar het menselijke genoom. Aan het eind van de jaren 90 werd internet gebracht als een alles vernieuwende technologie. Wie dit niet zag was out, dot com was in. Toen in 2000 duidelijk werd dat veel ‘nieuwe economie’-ondernemers het image van internet gebruikten om er zelf snel rijker van te worden, ontstond discussie over de inhoudelijke bijdrage van internet voor de maatschappij: wat draagt het bij aan wisselwerking tussen mensen en hun omgeving en tussen mensen onderling? Het image van nieuwe economie verbonden met internettechnologie vervaagde. Het wachten is op nieuwe images van nieuwe of oude technologie en het ontstaan van nieuwe hypes.

1.4.2 Over herkennen en negeren van betekenis bij gestapelde virtual realities

Stapelingen van virtual realities hebben voor mensen telkens meer voor- dan nadelen opgeleverd, anders zouden we ze niet gebruiken. Maar dit proces gaat onontkoombaar gepaard met verlies aan betekenis. Hoe is dat te herkennen?

Bij elk nieuw hulpmiddel wordt de realiteit op een nieuwe manier waargenomen en ervaren. Ongemakken die er eerder waren, verdwijnen door het nieuwe hulpmiddel. Mensen ervaren die nieuwe middelen als vooruitgang. Zo is de overgang van een orale naar een geletterde cultuur door mensen ervaren als vooruitgang. Het geletterde ontwikkelde zich en ging de toestand in de samenleving domineren. Maar ongemak is ook een expressie van wisselwerking met de omgeving: een vorm van betekenis die mensen als negatief of ongewenst ervaren. Als een hulpmiddel wordt ingevoerd, zeker zoiets als boekdrukkunst, zal na verloop van tijd de toestand waarin je staat veranderen. Dan blijkt dat je gehecht kunt zijn aan verschijnselen die door gebruik van het hulpmiddel verloren zijn gegaan. Dat kun je alleen opmerken als je het verschil kent en hebt ervaren, als je ouder bent. Jongeren die van begin af aan met nieuwe hulpmiddelen opgroeien kunnen dat verschil niet ervaren en zullen nostalgische opmerkingen van ouderen afdoen met schouderophalen of wellicht een keer geïnteresseerd luisteren.

Als gestapelde virtual reality zich in hoog tempo ontwikkelt, word je snel ouder omdat de hulpmiddelen die je geleerd hebt te gebruiken al snel niet meer up to date zijn. Je moet je inspannen bij te blijven. Dat is vooral zo als een nieuwe technologie zich aandient waarbinnen nieuwe mogelijkheden in sneltreinvaart ontstaan. We spreken dan van een nieuwe infrastructuur, zoals kennis-, geografische en economische infrastructuur. Het tempo ligt nog hoger wanneer meerdere infrastructuren zich tegelijk vernieuwen. Dan kun je in een periode van tien jaar al zoveel overgangen meemaken dat je over zo’n periode grote verschillen kunt ervaren en nostalgisch wordt. Als je in zo’n tijd leeft, ontstaan veel verschillende groepen die aan verschijnselen verschillend betekenis geven. De early adopters die als eerste nieuwe hulpmiddelen of technologieën gebruiken, hebben er het eerst voordeel van. Wie beschikt over financiële middelen zal in nieuwe technologie beleggen om mee te delen in de eerste winst. Het gebruik van nieuwe technologie staat in het teken van vooruitgang zodat de eersten de wind mee hebben: zij dienen de vooruitgang en beleggers dienen hen. Het gebruik van nieuwe hulpmiddelen of technologie wordt dan gemakkelijk geforceerd. Hoe is dat te herkennen?

1.4.2.1 Forceren tot gebruik van nieuwe technologie

Een voorbeeld ontleent aan ‘The Verger’ van Somerset Maugham (1951):

De succesvolle analfabeet

Albert Edward Foreman was al 16 jaar koster in St. Peter’s, Neville Square. De kerk was bekend vanwege de stijl van haar diensten. Wie in Londen woonde, wilde graag in St. Peter’s trouwen of van daaruit begraven worden. Die dag wachtte Albert Edward op de dominee. Hij ergerde zich eraan dat de man hem geen gelegenheid gaf thee te drinken. Dat zou bij diens voorganger niet zijn voorgekomen. De opvolger was zo’n nieuwlichter uit het West End die nog moest wennen aan de stijl van St. Peter’s. Het zou wel lukken, maar moest zijn tijd hebben. Toen de dominee kwam opdagen, vroeg hij Albert Edward mee te gaan. In de pastorie troffen ze twee ouderlingen, die dat al meer dan tien jaar waren. Ze keken wat ongemakkelijk. De dominee zei dat hij er nog niet lang was en weinig kritiek had op de manier waarop Albert Edward zijn werk deed, maar dat hem ter ore was gekomen dat zijn koster niet kon lezen en schrijven.
“Klopt dat?”, vroeg hij. “Ja”, antwoordde Albert Edward.
“Wil je mij wijs maken dat je hier 16 jaar hebt kunnen werken zonder te kunnen lezen of schrijven?” “Ja”, zei Albert Edward opnieuw.
“Wel, we kunnen dat absoluut niet hebben, hier in St. Peter’s. Ik kan niet werken met een koster die niet kan lezen en schrijven. Je krijgt drie maanden de tijd om het te leren.”
“Dat is erg vriendelijk”, zei de koster, “maar daar ben ik te oud voor.”
“Dan vrees ik dat je weg moet”, zei de dominee. “Ik begrijp het sir”, zei de koster.
Hij wilde zijn waardigheid niet offeren aan deze onbenul. Hij ging als laatste de kerk uit en sloot af. Hij rookte niet, alleen af en toe na het eten, maar nu verlangde hij wel naar een sigaret. Hij keek de lange, rechte straat af. Er was geen zaak te bekennen die sigaretten verkocht. “Vreemd”, dacht hij. “ik kan hier toch niet de enige zijn die wel eens een sigaret wil?” Hij ging naar huis, was stil. De volgende ochtend liep hij weer de straat door en zag een winkeltje te huur. Die avond was hij opnieuw stil en dacht na. De dag daarna huurde hij het pandje. Een maand later verkocht hij kranten, sigaretten en tabak. Zijn vrouw vond het wel een achteruitgang vergeleken met het kosterschap, maar Albert Edward vond dat je met je tijd mee moest gaan. Na een jaar bleek het een succes. Hij nam een zetbaas en ging op zoek naar nog zo’n lange rechte straat. Hij vond er weer een en opende een tweede winkeltje, dat opnieuw succes had. Zo opende hij het ene na het andere tot hij er tien had. Elke maandag ging hij zijn winkels langs om het verdiende geld op te halen en bracht dat naar de bank. Toen werd hij bij de directeur van de bank geroepen. Of hij wist hoeveel hij bezat? Nou, niet precies.
“Wel”, zei de directeur, “ik adviseer u uw geld in aandelen te beleggen: dat levert meer op.” “Als u het zegt, zal dat wel zo zijn”, zei Albert Edward.
“Ik zal een contract opmaken dat u vanmiddag al kunt tekenen.” “Mooi, maar hoe weet ik wat ik teken?”
“Kunt u dan niet lezen of schrijven?” vroeg de directeur. Nee, dat kon hij niet.
“Wilt u beweren dat u dit allemaal hebt opgebouwd zonder te kunnen lezen of schrijven?” Hij moest het bevestigen.
“Mijn hemel, wat zou u niet hebben bereikt als u had kunnen lezen of schrijven.”
Albert Edward glimlachte. Hij wist het antwoord.

Het gebruik van een geaccepteerde technologie komt in dit voorbeeld goed tot uitdrukking. De koster is duidelijk ‘blijven hangen’, maar je kunt niet zeggen dat hij niet voldeed. De dominee en de bankdirecteur staan in de nieuwe technologie en kunnen zich niet voorstellen dat het zonder kan.

Wellicht lijkt dit een nostalgisch voorbeeld, maar dat is niet zo. In onze tijd zijn er remedial teachers die volwassenen moeten leren lezen en schrijven, terwijl die mensen er totaal geen zin in hebben. Die mensen kunnen goed functioneren: ze snoeien bomen in plantsoenen en weten hoe elke boom moet worden ingekort zodat die mooi in vorm blijft, ze vegen straten schoon, halen vuilnis op en zorgen dat de buurt netjes blijft. Waarom moeten die mensen dan naar een cursus? Omdat de bedrijven waarin die mensen werken een functiewaarderingsysteem hebben opgesteld dat veronderstelt dat medewerkers de huidige technologie moeten beheersen om een functie goed te kunnen uitvoeren.

In organisaties stellen we aan mensen eisen, uitgedrukt in kennis en vaardigheid. De relatie van op school geleerde kennis met het werk dat mensen moeten doen is soms ver te zoeken: de caissière bij een supermarkt moet het liefst havo hebben en de vakkenvuller tenminste een mavo-diploma; de verpleegkundige wordt vier of vijf jaar opgeleid, maar niet getoetst op de vraag of hij of zij waarneemt wat een patiënt ervaart, of doet waaraan de patiënt juist betekenis hecht.

In onze tijd worden veel mensen die niet met een pc kunnen omgaan of niet op internet zitten, behandeld als de koster in het voorbeeld. Politici, ambtenaren, journalisten, managers geven hoog op van de voordelen van internet. Communities die met elkaar chatten via internet worden synoniem verklaard met sociale gemeenschappen. Wat ze negeren is dat mensen die elkaar fysiek ontmoeten veel meer samen delen dan in een internetcontact. Als de betekenis die mensen voor elkaar hebben al is gevestigd, omdat ze elkaar al kennen vanuit privé- of werksituatie, dan is internet een fantastische aanvulling. Maar ook als ze informatie willen achterhalen, willen spelen of alleen functioneel met elkaar contact willen hebben. In veel opzichten doet de discussie over de voordelen van internet denken aan andere technologieën die ook onomstreden voordelen hebben, maar helaas ‘niet juist’ worden gebruikt en dan niet opleveren wat men ervan verwachtte. Het volgende voorbeeld gaat over stapelen van virtual realities in een laag tempo:

Joeke in Bangladesh

Joeke was gevraagd om in Bangladesh een groot project over waterhuishouding te evalueren dat met geld uit het westen was gefinancierd. Het land kampt met enorme overstromingen, maar ook met watertekorten. Al heel lang worden er projecten uitgevoerd om op basis van westerse civiele technologie verbeteringen aan te brengen. Vanuit het oogpunt van een civiel ingenieur liggen er problemen om van te watertanden: afvoer van enorme hoeveelheden regenwater tegenover de controle van zout water uit zee dat ver het land inkomt. De westerse ingenieurs vonden het vanzelfsprekend dat er veel dijken werden gebouwd. De voordelen daarvan voor de Bengalese bevolking spraken immers voor zich. Desondanks staken de bewoners soms de dijken door. Waarom deden ze dat? Wat was er fout gegaan? Joeke ging erheen om dat uit te zoeken. Ze is Wagenings landbouwkundig ingenieur: een perfecte achtergrond voor dit soort werk.
Toen ze er pas was en de problemen zag, kon ze zich niet voorstellen dat westerse hulp in kennis en kapitaal niet welkom zou zijn. Het was overduidelijk dat dijken veel voordeel brachten: ze waren zo gebouwd dat door automatische schuiven hoog water uit het achterland via de rivier kon worden afgevoerd. Een dijk was een goede transportverbinding. Je had altijd een goede weg: je kon er gemakkelijk over lopen, de fietstaxi kwam er goed op vooruit. Door die betere wegen kwam de economische ontwikkeling op gang. Toch leek niet iedereen gelukkig: er werden inderdaad dijken doorgestoken. De interpretatie die geldschieters en projectingenieurs gaven aan het doorsteken was duidelijk: de bevolking was tegen flood control.
Onderzoek leerde dat er een andere betekenis was: boeren kregen geen rivierwater wanneer dat voor hun teelt nodig was. Hun dorpsgenoten begrepen dat doorsteken van de dijken wel. Ze aten mee van de oogst en verzetten zich niet tegen doorsteken. Veel sluizen en stuwen werden niet onderhouden. Dat paste niet bij de plaatselijke gewoonten en gebruiken.
Joeke merkte dat het project was opgezet zonder oog voor de complexiteit van wat er om de rivier heen gebeurde. De activiteiten rond de rivier zijn een ingewikkeld stelsel en verdragen geen ruwe ingreep vanuit een op zich simpel en gerechtvaardigd doel: een dijk bouwen om de stroom water te reguleren. De conclusie die ze trok lag voor de Bengalezen voor de hand: wat mensen met elkaar doen, hoe ze met elkaar omgaan, vraagt om inzicht in hun cultuur en gevoel voor detail.
Hoe ziet die cultuur eruit, hoe zou je te werk moeten gaan om te weten waaraan je moet denken bij het realiseren van zo’n project? Fouten in omgangsvormen zijn vlug gemaakt. Om die vraag te beantwoorden werd dus een onderzoek opgezet met mensen van het regionale bestuur, aangevuld met westerse expertise.
De westerse onderzoekers kwamen er al gauw achter dat de plaatselijke maatschappelijke ordening bepalend was: een project dat niet het belang van de heersende klasse diende, kon geen succes worden. Niet dat men dat direct aan elkaar liet blijken, daarvoor waren de omgangsvormen te verfijnd. Maar onderhoud van dijken, stuwen en schuiven zou nooit van de grond komen als het niet was ingebed in de heersende belangen en hiërarchie.
Joeke werkte met Bengalezen samen om de ontwikkeling te beschrijven zoals ze die hadden ervaren. Praten over doelen en concepten bleek maar beperkt mogelijk. Ze waren niet in staat problemen op te lossen, concepten, doelen en plannen te maken en die uit te voeren. Ze konden geen probleem formuleren en daarbij ideeën krijgen op basis van een technologie die ze niet kenden en die niet paste bij hun wijze van denken en in de wereld staan. Zij kenden zich een plaats toe in een hiërarchie van macht en handelden op basis van macht van anderen.
Joekes conclusie was dat niemand tegen westerse projecten was, maar dat deze te grof of grootschalig waren en geen rekening hielden met de fijnmazige lokale infrastructuur. Het werd duidelijk dat voor de mensen die er woonden zóveel van de rivier afhing, dat elk project dat alleen uitging van flood control wel moest falen. Maar een waterhuishouding waarin alle aspecten die er toe deden werden gehonoreerd, kon niet worden geconstrueerd, dat was veel te complex. Zo’n huishouding moest in de loop van de tijd ontstaan. Joeke keek op een andere manier rond in de Rijndelta en zag dat de Nederlandse inrichting niet door één forse interventie is of kon worden gerealiseerd, maar in de loop van eeuwen in wisselwerking tussen bewoners en ontwikkeling van hulpmiddelen en methoden is ontstaan. Westerse ingenieurs in Bangladesh hadden vormen van betekenis die de rivier voor mensen had, niet gezien of genegeerd. Ze hadden een paar noodzakelijke fasen in gestapelde virtual reality over het hoofd gezien, zodat het hulpmiddel ‘dijk met schuiven’ niet kon werken.

1.4.2.2 Verwarring bij stapeling in virtual realities

Als technologie in zo’n hoog tempo als in onze tijd beschikbaar komt, ontstaat gemakkelijk verwarring. Mensen zijn eraan gewend dat gebruik van nieuwe technologie goed is: het is vanzelfsprekend nieuwe technologie te gebruiken. Maar dat kan gemakkelijk tot situaties leiden die we als onzinnig ervaren. Een voorbeeld:

De pincode bij het fotokopiëren

In allerlei organisaties werden in het begin van de jaren 90 persoonlijke pincodes voor het fotokopiëren ingevoerd. Doel hiervan was kostenbeheersing. Elke medewerker kreeg een pincode. Per afdeling kon worden bijgehouden wat de werkelijk gemaakte fotokopieerkosten waren. De extra apparatuur die hiermee gemoeid was, bedroeg al snel tienduizenden guldens, plus een medewerker die het systeem bijhield.
Maar niemand gebruikte de code met plezier. Deze vormde een drempel om het kopieerapparaat te gebruiken. Dat hielp mensen niet. Na verloop van tijd veranderden tal van mensen van afdeling zonder dat te melden, waardoor het systeem vervuilde. Bovendien beleefden sommigen er plezier aan de pincode van anderen te gebruiken. Zo zijn er organisaties waar het nu een sport is de pincodes van directieleden te bemachtigen. De directie wordt dan na verloop van tijd de grootste kostenpost bij het kopiëren.
Toen het onderwerp bij de directie van zo’n organisatie een keer ter sprake kwam, zei de voorzitter dat het hem een lief ding waard zou zijn als ze van die pincodes afkwamen, maar hij wist niet hoe ze dat voor elkaar moesten krijgen. Hij was eraan gewend dat alles in systemen was geregeld. Hij was er zo mee vertrouwd dat niets meer liep zoals hij zelf zou wensen, dat hij niet begreep dat alleen maar ‘nee’ zeggen tegen het systeem genoeg was om er vanaf te komen. Toen iemand deze oplossing suggereerde, keek hij hem verbijsterd aan.

Dit voorbeeld laat zien hoe mensen technologie gebruiken om steeds explicieter te weten wat er gebeurt.Wie niet vertrouwd is met de gang van zaken in grote organisaties, zal denken dat dit voorbeeld verzonnen is. Niets is minder waar. Dat op enig moment een grens wordt overschreden, blijkt heel duidelijk. Die grens is voor iemand die denkt dat iedereen de regels van een bevoegd gezag zal volgen, moeilijk te herkennen. Maar regels moeten mensen helpen, anders zijn ze contraproductief en ontstaat verwarring.

Een andere vorm van verwarring wordt zichtbaar als mensen van verschillende leeftijden en disciplinaire achtergronden met elkaar in discussie gaan. Een voorbeeld:

De debatwedstrijd

Mijn buurman nam op 3 november 2000 deel aan een conferentie die was georganiseerd door het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, de Universiteit van Amsterdam en NRC Handelsblad. Het thema: ‘Wat heeft geografie in het jaar 2000 te zeggen over de eeuwige strijd om de ruimte?’ Via hem kreeg ik van de organisatoren nadere gegevens: Er was een goede opkomst: de zaal was gevuld met geografen, burgemeesters, journalisten, planologen, meteorologen, leraren voortgezet onderwijs, universitair medewerkers. Aan het eind van de conferentie werd een debatwedstrijd gehouden rond drie stellingen:
– Strijd om water: sloop de dijken, geef de natuur langs de rivieren de ruimte.
– Strijd om grondgebied: alleen een megagolfbaan kan het Groene Hart nog redden.
– Strijd om de stad: vinexwijken zijn de getto’s van de toekomst.
Drie teams van drie personen, bestaande uit leerlingen van een Gronings Gymnasium, hoogleraren (UU, KUN en RUG) en politici (CDA, Groen Links en PvdA), streden tegen elkaar. De wedstrijd bestond uit drie rondes, waarin steeds een stelling centraal stond. Elk team vaardigde steeds iemand af om per ronde in een paar minuten een oordeel te geven over een stelling. De drie afgevaardigden debatteerden daarna vijf minuten over die oordelen onder leiding van een discussieleidster. Het publiek bracht zijn stem uit via opgestoken kaarten, die geteld werden. Het oordeel van het publiek en dat van de jury werden bij elkaar opgeteld. Het leerlingenteam bleek gewonnen te hebben. De wetenschappers werden tweede en de politici derde. Ik kreeg geen verslag van de inhoud van de discussies.

Wie naar de thema’s uit de conferentie kijkt, ziet verschillen in perceptie die zijn ontstaan:

  • Veel Nederlanders maakten mee dat de dijken in Zeeland opgehoogd moesten worden. Nu wordt dezelfde mensen gevraagd die dijken door te steken.
  • Het Groene Hart van Holland is ontstaan. Dorpen waren klein en werden het nergens over eens. Daardoor konden grootschalige regionale ontwikkelingen nooit van de grond komen. Nu zijn er dorpen samengevoegd die ruimte beheersen. De schaalgrootte is meegegroeid. Daar waar eerst geen bebouwing kon ontstaan vanwege onenigheid, moeten ze nu plannen dat ruimte leeg blijft. Uit het feit dat we het hart van Holland zien vollopen met bebouwing blijkt dat plannen om ruimte leeg te houden minder effectief is dan het nergens over eens kunnen worden.
  • We bedachten plekken waar wel of niet gebouwd mocht worden. We moesten huizen en nog eens huizen bouwen. Inmiddels stellen we andere eisen, en kijken we naar Vinexlocaties als invulling van ruimte die teveel negeert wat voor bewoners belangrijk is.

In de vorm van de conferentie en de scores van de deelnemers zien we ook eigentijdse kenmerken. Deze wetenschappers en deze politici, in deze zaal, met dit publiek, hebben minder betekenisvolle opmerkingen gemaakt dan de leer-lingen. Je zou verwachten dat een publiek van voornamelijk academici het grootste gewicht aan de oordelen van wetenschappers geeft, vooral omdat de jury van deskundigen in de meeste gevallen de voorkeur gaf aan de wetenschappers. Toch wonnen de leerlingen. De uitslag van de debatwedstrijd wijst erop dat – althans in deze samenstelling van publiek en debaters – mensen die nog geen academische studie hebben gevolgd (deze leerlingen) meer verschillende betekenissen herkennen en beleven dan degenen die doceren aan een universiteit (deze hoogleraren) of in de politiek bezig zijn (deze politici). Dat politici lager scoren dan wetenschappers is vanuit een opportunistische gezichtshoek opmerkelijk, omdat je van politici zou verwachten dat ze gespecialiseerd zijn in weten wat er voor mensen toe doet. Volgens deze deelnemers in de zaal negeren ze kennelijk nog meer betekenis dan de wetenschappers, gegeven het feit dat ze als laatste eindigden. Wat is hier aan de hand?

Laten we eens kijken vanuit het oogpunt van mediale verbeelding. Dan zien we dat er een debatwedstrijd werd georganiseerd die een getal als uitkomst oplevert. De onderwerpen waren verwoord op een manier die aandacht moest trekken. Discussie erover was, gezien de tijd die ervoor gereserveerd was, niet serieus te nemen. De rijkdom aan opvattingen en betekenis die in het publiek aanwezig was, werd ermee gereduceerd.

Deze vormgeving past bij het domein ‘televisie schept een eigen wereld’, waarin het onmogelijk is het oordeel van het publiek in discussie te ontwikkelen.Dit tekort probeert men inmiddels op te heffen door gebruik van telefoon, sms en internet. Bij een televisieopname wordt de zaal gezien als de representant van het publiek voor de buis. Bij de debatwedstrijd komt het oordeel van de zaal snel tot uitdrukking op een gemakkelijk te verbeelden manier die aandacht vasthoudt, spanning genereert en past bij televisie. Het is een mediale vormgeving van representatie. De reductie van betekenis die daarmee gepaard gaat, wordt kennelijk niet opgemerkt of weegt niet op tegen de aantrekkelijkheid van de vorm.

De organisatoren maakten – zoals zo vaak – geen gebruik van het verschil in specifieke mogelijkheden van een zaal met publiek en een televisieopname met een zaal met publiek. Kennelijk hebben we problemen met het tonen of tot gelding brengen van variëteit in betekenis, ook al is die onder handbereik. Wat wijst daarop?

  1. Gegeven het feit dat de gymnasiasten het hoogst scoorden bij het publiek, lijkt de veronderstelling gewettigd dat de meerderheid van het publiek en de gymnasiasten de grootste overeenkomst hadden in het herkennen en beleven van betekenis. De wetenschappers lijken in het geletterde – het moderne – te staan. Stonden politici dan wellicht in mediale verbeelding waarbij ze probeerden beelden te produceren die aanspraken? In die zaal scoorde dat niet. Die twee werelden – modern en postmodern – ontmoeten elkaar slecht. Het lot van politici is dat zij veel meer in aanraking komen met mediale verbeelding dan de rest van de zaal, terwijl een groot publiek dat niet ‘staat in het geletterde’ zo’n conferentie niet zal bezoeken.
  2. De opzet van de conferentie is geleend uit de wereld van de media. Vermoedelijk zijn er allerlei mensen geweest die de vormgeving niet prettig vonden – de buurman gebruikte het woord onbenullig, maar dat is niet te achterhalen.

Het voorbeeld laat zien hoeveel ingangshoeken tegelijk waar zijn. Je waardeert waar je zelf staat en wat je van betekenis acht. Veel lezers zullen het voorbeeld als onbevredigend ervaren: zij willen duidelijkheid over de vraag welke invalshoek moet domineren. Ze zullen de thema’s en discussie in het voorbeeld niet serieus nemen, omdat ze al op voorhand betekenis die er voor anderen toe doet negeren. Juist deze onduidelijkheid, deze verwarring is icoon van onze tijd. Het spectrum van de manieren waarop men thema’s behandelt, de verschillen in waardering voor bijdragen en oordelen van wetenschappers en politici zoals in dit voorbeeld, zijn typerend voor onze cultuur in deze tijd.

Enige tijd geleden deed een imam publiekelijk uitspraken over homofilie. Toenmalig premier Kok zei op televisie dat de imam “over de schreef was gegaan”.Discussie in de media in week 19 van 2001. Het doet er natuurlijk toe wat de imam als religieus leider heeft gezegd en nog zal zeggen. Maar een premier heeft een functie waarvan het volgens de definitie van die functie de bedoeling is dat hij organiseert dat in de samenleving de betekenis die de imam aan verschijnselen geeft en de betekenis die anderen aan dezelfde verschijnselen geven, naast en tegenover elkaar gezet kunnen worden. Dan zal de samenleving laten weten wat zij vindt van de betekenis die de imam aan verschijnselen toekent. Zijn de uitspraken van de imam in een rechtsstaat twijfelachtig, dan zal het Openbaar Ministerie de zaak onderzoeken en voorleggen aan de rechter. Die doet dan een uitspraak waarin het rechtstelsel en het oordeel van de samenleving worden gewogen.

Deze uitspraak van Kok kun je op zichzelf zien, maar je kunt hem ook plaatsen in een context: door een reeks uitspraken van Kok naast elkaar te leggen of door zijn uitspraken te combineren met reorganisaties die binnen de overheid plaatsvinden of door ze te plaatsen in verband met uitspraken van politici van de toenmalig regerende coalitie. Hoe ziet de uitspraak van Kok over de imam er dan uit?

Steeds vaker betitelen kamerleden de uitspraken van rechters als juist, onjuist of onacceptabel. Ze zeggen dat niet in het parlement maar voor de televisie, liefst in programma’s die aandacht trekken. In de politiek is een model ontstaan van de realiteit zoals zij die wensen. Politici gebruiken dat model om er verschijnselen aan te toetsen en betekenis te geven. Politici en de overheid vertellen wat organisaties moeten doen: zij weten wat goed is en mogen instellingen en burgers daarop afrekenen.

Dat beeld rijst ook op uit reorganisaties binnen de overheid. Zo is bijvoorbeeld de Raad voor de Rechtspraak opgericht. De grondslag voor deze reorganisatie is dat efficiënt organiseren minstens even belangrijk wordt als recht spreken zelf. De minister kan nu in laatste instantie bepalen wie er benoemd wordt. Hiermee hebben politiek gekozenen de mogelijkheid een beslissende invloed uit te oefenen over rechters en wat ze doen.

De opsomming is eenvoudig uit te breiden: de kranten zijn dagelijks gevuld met voorbeelden. Het is een kwestie van er zo naar kijken.

Zijn deze ontwikkelingen binnen de overheid en de politiek te begrijpen? Wie luistert naar politici hoort simplificaties als: “Burgers zijn er slechts in geïnteresseerd dat de overheid zaken goed uitvoert en voorzieningen van goede kwaliteit aanbiedt.” Het uitsorteren van ware of onware uitspraken waarin de politiek een hoofdrol zou moeten spelen lijkt niet meer te gebeuren. Is dat alleen verwarring? Nee. Mediale verbeelding heeft een infrastructuur ontwikkeld die het mogelijk maakt voorstellingen van zaken (proposities) te presenteren voor een groot publiek. Vroeger werden proposities in het parlement bediscussieerd om waar en onwaar te scheiden, voor- en nadelen voor verschillende groepen te belichten en te wachten of ze in de tijd wel of niet uitkwamen. Nu worden proposities in de media geuit en zijn al ingehaald door nieuwe, lang voordat de oude in de tijd bewezen kunnen worden. Het parlement is een beslissingsstation geworden, niet meer een discussieplatform waarop proposities worden beoordeeld en gewogen. De verwarring over wat betekenis heeft en krijgt, welke betekenis domineert, is typerend voor onze tijd. De kernvraag lijkt te zijn: hoe gaan we om met betekenis en hoe herkennen we die?

1.4.3 Over respecteren, delen, vestigen en scheppen van betekenis

1.4.3.1 De definitie van de situatie

Onze cultuur is complex. Toen geletterdheid ontstond was daarmee het mondelinge niet weg. Nu mediale verbeelding opkomt, is geletterdheid niet verdwenen. Oraliteit, geletterdheid en mediale verbeelding lopen nu door elkaar. Iedereen gebruikt een mix van expressies, meestal zonder het te beseffen. Sommige groepen mensen gebruiken dominant één van die expressievormen. Daar komt nog bij dat grote groepen uit andere landen wezenlijke elementen van hun cultuur op allerlei manieren meebrengen en proberen te handhaven. Zij vullen een of andere vorm van betekenis op een specifieke manier in.

Je ervaart en neemt waar hoe iemand betekenis geeft en omgaat met betekenis. Iemand gedraagt zich bijvoorbeeld op een manier die je vervelend vindt. Het wil zeggen dat verschijnselen voor jou een andere betekenis hebben dan voor die ander. Alleen weet je vaak niet hoe je dat moet uitdrukken, hoe je de ander kunt laten weten wat hij in zijn gedrag negeert dat er voor anderen – voor jou – toe doet.

Negeren heeft vaak betrekking op niet aanvoelen van de toestand waarin iemand – of in het algemeen een entiteit – verkeert. Voor extreme gevallen kennen we het gezegde ‘als een olifant door de porseleinkast lopen’. Iemand negeert dan wat er voor jou of bij jouw manier van kijken toe doet. Als iemand ruw is kun je soms gemakkelijker wat over zijn gedrag zeggen, maar het is de vraag of je de ander wel bereikt. Meestal leiden zulke opmerkingen tot conflict. Vaak merk je dat iemand in een toestand iets negeert zonder ruw te (willen) zijn. Negeren ziet er dan heel subtiel uit: je hebt er vaak geen woorden voor, omdat woorden tekort schieten of praten zelfs ervaren wordt als strijdig met de toestand waarin je staat. De definitie van de situatie, dat is het verband tussen verschijnselen dat vigeert en waarvan de entiteit zelf deel uitmaakt, bepaalt je gedrag. Je staat in wisselwerking met de omgeving: je ervaart wat er voor jou toe doet en dat een ander de definitie van de situatie anders aanvoelt of negeert wat er voor anderen toe doet. Dat je er geen woorden voor hebt om dat de ander duidelijk te maken, ervaar je dan vaak nog als tekortkoming van jezelf. Het lijkt immers zo vanzelfsprekend dat alles in woorden is uit te drukken. Maar sensibiliteit gedefinieerd als het vermogen om de definitie van de situatie aan te voelen, kan principieel maar beperkt in woorden worden uitgedrukt.In de volgende hoofdstukken wordt hierop ingegaan.

In onze tijd is negeren vaak te herkennen als: iemand meent dat hij zijn model van de realiteit aan een ander mag opleggen. Wat die ander ergens van vindt wordt dan genegeerd: men kijkt of luistert niet naar de ander, heeft geen aandacht voor de toestand waarin die ander verkeert. Vaak kun je het herkennen in gesprekken waarbij mensen uitspraken van anderen bevestigen om hun eigen model van kijken te vestigen. Een voorbeeld:

Vergaderen

In vergaderingen van grote groepen ben ik nogal eens toegesproken door bestuurders of managers die na een beschouwing mijnerzijds zeiden: “dat is juist”, of “dat is correct”. Ze bedoelden dat mijn manier van kijken in hun straatje paste, maar gaven er tegelijk mee aan dat zij hun meetlat gebruikten om over mijn manier van kijken een absoluut oordeel te geven. Als ik in zo’n vergadering wat zou zeggen over die manier van oordelen, zat ik in de klem: ik tastte dan het bazendom, de hiërarchie aan. De meerderheid vond dat niet gewenst, zodat de situatie ontstond dat er tegen in gaan erger was dan de opmerkingen over me heen laten komen. De uitweg was dan na afloop de betreffende man te vertellen wat hij deed. Ik had het voorrecht meestal mensen te treffen die dan zeiden: “Bedankt, goed dat je het zegt.” Ik had dan het idee dat het helpend was. Ze deden hun best het niet meer te doen, maar als het toch weer gebeurde, keken ze naar me en glimlachten verontschuldigend. Vaak bleef het daarbij, ze konden ook niet anders.
Soms was iemand niet blij als ik het tegen hem zei. Die deed het later dan opnieuw, keek me ook aan, maar dan met een pestende blik. Hij had er duidelijk plezier in. Totdat ik tijdens de vergadering aan iedereen liet zien voor welke vorm van betekenis dat gedrag stond. Het werd dan stil, sommigen werden bang. Ik werd nooit gesteund, maar je zag dat de aanwezigen het prettig vonden dat hij een keer werd aangepakt. Ze hadden al vaak last van die man gehad.

Het is niet gebruikelijk en het wordt in onze cultuur niet erg gewaardeerd als je de vorm van betekenis die iemand kenmerkt, blootlegt. Je moet vooral formeel blijven, niet persoonlijk worden. Maar formeel zijn is al een vorm van betekenis. Honoreer je die betekenis, dan krijgt een andere vorm geen kans meer. In §3.3 zijn vier vormen van betekenis genoemd. Om die te kunnen onderscheiden kijken we nog eens naar de domeinen die eerder werden afgeleid voor de ontwikkeling van televisie:

  1. ‘Televisie als venster op de wereld’. Televisie helpt mensen beter zicht te krijgen op de realiteit waarin ze leven (tele-visie: ver-kijken). Mensen zijn gericht op het ontstaan van verschijnselen waar ook ter wereld.
  2. ‘Televisie als verbinding in de wereld’. Televisie is gericht op groepen die beter willen begrijpen wat de betekenis is van wat zich in de wereld afspeelt. Het is vanuit degenen die in domein 1 staan een toevoeging – een verdieping – van ‘venster op de wereld’.
  3. ‘Televisie schept een eigen wereld. Dit domein komt tot ontwikkeling als de creativiteit van programmamakers centraal komt te staan en niet meer de verschijnselen waarover verslag wordt uitgebracht of waarover wordt gesproken. Er worden programma’s gemaakt die mogelijk zijn vanwege de specifieke kenmerken van het medium televisie. Vanuit die optiek is het een fundamentele overgang ten opzichte van domein 2.
  4. ‘Televisie is de wereld’. In dit domein zijn televisiebeelden dominant boven beelden die niet mediaal worden ontwikkeld en verspreid. Wie het medium gebruikt voor eigen doeleinden wordt dominant.

Televisie heeft zich in 50 jaar ontwikkeld. De ontwikkeling binnen één mensenleven laat zien hoe een hulpmiddel om mensen meer te kunnen laten waarnemen, geleidelijk aan steeds meer wordt gebruikt voor eigen doeleinden. Tegelijk verandert televisie de toestand waarin mensen staan, veranderen maatschappij en samenleving vanwege de karakteristieken van mediale verbeelding. Op andere terreinen zijn dezelfde ontwikkelingen zichtbaar, alleen duren die vaak veel langer, zoals de ontwikkeling in de schilderkunst: het naturalisme, impressionisme, expressionisme tot postmodernisme markeren dezelfde vier domeinen.

Of we nu een kom die is ontwikkeld tot kop en schotel nemen, of treinen en schepen die zijn ontwikkeld van transportmiddelen naar dingen om er geld mee te verdienen: elk hulpmiddel zal een ontwikkeling doormaken die is te schetsen in termen van de vier domeinen. De vormen die er waren blijven, maar de vorm die erbij komt gaat na enige tijd betekenis gedurende een periode domineren. Elk domein representeert een verzameling van definities van de situatie waarin één vorm van betekenis domineert. In gestapelde virtuele realiteit volgen ontwikkelingen van hulpmiddelen elkaar op volgens deze domeinen en de erbij passende vormen van betekenis.

1.4.3.2 Vormen van betekenis

In het domein ‘venster op de wereld’ nemen mensen via televisie waar wat er in de wereld gebeurt. Ze zijn onderdeel van de wereld en ervaren hoe de omgeving het lot van mensen bepaalt. Niet zij zelf geven betekenis, maar de omgeving waarin zij staan, bepaalt de betekenis die zij hebben. Een verschijnsel ontstaat. Het wordt gerespecteerd vanuit het besef dat in die specifieke omstandigheden juist dit en niet een ander verschijnsel ontstaat. Een verschijnsel waaraan op die manier betekenis wordt toegekend is een selectie.

In het domein ‘verbinding in de wereld’ communiceren mensen uitingen over verschijnselen. Uitingen kunnen allerlei vormen aannemen. Een uiting is een duiding van een mogelijke betekenis die een verschijnsel voor iemand kan hebben. Zulke uitingen noemen we primitieven. Andere mensen kunnen en zullen zich ook uiten. Er ontstaat een cluster van mensen die uitingen als bij elkaar passend ervaren. Zo’n cluster krijgt de betekenis van groep. Mensen in de groep delen dan één of meer primitieven. Zo’n groep geeft betekenis, mensen ontvangen betekenis. Wil je bij de groep horen dan deel je de betekenis met de groep. Lid zijn van de groep is een verschijnsel dat betekenis heeft. Lid zijn kan zoveel betekenen dat je de betekenis waarop de groep gedefinieerd is een groter gewicht geeft dan betekenis die je vanuit jezelf aan verschijnselen geeft. We zeggen dan tegen iemand dat hij handelt naar de eisen van de groep, in strijd met normen en waarden die hij had of heeft. Een markant voorbeeld vind je bij de maffia. Wat de maffia doet, staat in contrast met de normen en waarden waarmee veel katholieke leden van de maffia zijn opgegroeid, zoals: ‘gij zult niet doden’.

Het domein ‘televisie schept een eigen wereld’ staat voor mensen die ideeën hebben over het gebruik van het medium op een voor dat medium specifieke manier. De betekenis van een verschijnsel wordt gerelateerd aan de vraag hoe een verschijnsel een specifieke expressie is van de mogelijkheden van het medium. Het medium vormt een afgezonderde eigen realiteit. Het krijgt die betekenis als verschijnselen als patroon worden herkend: het medium schept zijn eigen betekenis.

Het domein ‘televisie is de wereld’ staat voor de dominantie van het medium tv. Wat tv laat zien domineert betekenis die verschijnselen krijgen. Het medium vestigt betekenis, verschijnselen worden gegroepeerd rond en voor de camera. Verschijnselen hebben geen betekenis als ze niet door het medium geregistreerd en getoond zijn.

Vanwege wisselwerking met de omgeving groeien mensen op met een cultuur. De dominante vorm van betekenis in die cultuur nemen ze – ongemerkt, maar onontkoombaar – over. Het fantastische van onze tijd is dat de vorm van betekenis die onze cultuur kenmerkte, binnen enkele generaties sterk is veranderd. Een voorbeeld: de rol van de journalist is te duiden in relatie tot vormen van betekenis. Bij wet is bescherming van de bron van de journalist vastgelegd. Toen die wet ontstond, leefde de opvatting dat een democratie gebaat is bij het openbaar maken van wat er voor burgers in de maatschappij toe doet. Macht van autoriteiten mocht niet zo dominant worden dat zij de samenleving gebruikten, of anders gezegd: respecteren van verschijnselen die ontstaan, het duiden van betekenis en herkennen van betekenis van en door anderen mocht niet door hen worden genegeerd of verdrongen. De journalist werd verondersteld te staan in het maatschappelijke, te schrijven en te beschouwen vanuit het maatschappelijke, te staan in domein 1 en 2.

In onze tijd zijn organisaties waarin journalisten werken steeds commerciëler geworden. Het vierde domein is ontstaan, het domein waarin televisie de wereld is. De journalist die in een commerciële organisatie werkt, staat via die organisatie in het vierde domein en heeft op zijn minst de schijn tegen dat hij het recht van bescherming van zijn bron kan misbruiken voor zijn (op winst gerichte) organisatie. Alleen de persoonlijke integriteit van de journalist is in die omstandigheden de bescherming tegen misbruik van positie. Dat is een dunne bescherming die door de autoriteit niet vertrouwd werd in de tijd dat de wet ontstond. Is de journalist in onze tijd meer integer dan de ‘machtsmisbruikende’ autoriteit in de periode dat de wet ontstond? De feiten duiden daar niet op.

Zodra journalisten werken in een omgeving die getypeerd wordt door het vierde domein ‘journalistiek is de wereld’ en vandaar uit aan verschijnselen betekenis toekennen, ontstaat de situatie dat sprake is van verdringing van betekenis uit de andere drie domeinen. Dat is te herkennen als: journalisten hebben een eigen wereld en gebruiken de wet – bedoeld om vormen van betekenis uit de eerste twee domeinen te beschermen – om hun eigen wereld te vestigen. Ze parasiteren op vormen van betekenis uit andere domeinen. De wet van bronbescherming lijkt te moeten worden aangepast en gedifferentieerd naar typen organisaties die de journalist wel of geen maatschappelijke legitimatie geven, passend bij de maatschappelijke expressie van die organisaties. Zo’n benadering opent onherroepelijk een discussie over de relatie van organisatievormen en domeinen van betekenis.

We nemen waar dat sommige ordeningen die in onze samenleving met domeinen van betekenis waren verbonden, hun waarde hebben verloren, omdat we inmiddels met elkaar in andere domeinen staan. Er zijn veel voorbeelden te geven, zoals op het gebied van politiek, verzekeren, sport, doping. We zijn met elkaar toe aan het herdefiniëren van de grondslag onder instituten en organisaties. Voor iedereen is dat verwarrend, voor veel mensen iets afschuwelijks, maar voor wie zoekt naar betekenis is het prachtig.