Inhoudsopgave

Voorwoord1
Leeswijzer2
1Over iconen van onze tijd3
Dit hoofdstuk in het kort3
1.1Iconen van vooruitgang in onze tijd3
1.2Van het mondelinge naar geletterdheid3
1.2.1Het ontstaan van het moderne vanuit filosofisch oogpunt3
1.2.2Het ontstaan van het moderne vanuit technologisch oogpunt3
1.2.2.1Kenmerken van het mondelinge3
1.2.2.2Kenmerken van schrijven en drukken3
1.2.2.3Overgang naar het moderne gegeven de wisselwerking met de omgeving3
1.3Van geletterdheid naar mediaal verbeelden3
1.3.1Schets van de ontwikkeling van media3
1.3.2Kenmerken van mediaal verbeelden3
1.3.3Domeinen die zijn ontstaan in gebruik van het medium televisie3
1.3.4Kenmerkende overgangen3
1.3.5Kenmerkende maatschappelijke verschijnselen in het postmoderne3
1.4Verwarring over betekenis als icoon van onze tijd3
1.4.1Over virtual reality3
1.4.2Over herkennen en negeren van betekenis bij gestapelde virtual realities3
1.4.2.1Forceren tot gebruik van nieuwe technologie3
1.4.2.2Verwarring bij stapeling in virtual realities3
1.4.3Over respecteren, delen, vestigen en scheppen van betekenis3
1.4.3.1De definitie van de situatie3
1.4.3.2Vormen van betekenis3
2Over ontwikkeling in organiseren4
Dit hoofdstuk in het kort4
2.1Overgang van aandacht voor product naar aandacht voor proces4
2.1.1Hoe produceren belangrijker is geworden dan wat wordt voortgebracht4
2.1.2De periode van 1850 tot 1930 waarin systematische verbetering centraal staat4
2.1.3De periode na 19304
2.1.3.1Hoe verbeteren op de werkvloer overgaat in verbeteren door ontwerpen4
2.1.3.2Coördinatie binnen organisaties versus coördinatie in de markt4
2.2De opkomst van de Angelsaksische systeembenadering4
2.2.1Een indeling van systeembenaderingen4
2.2.2De systeempraktijk4
2.2.3Herkenning van de Angelsaksische systeembenadering in organisaties4
2.2.4‘Construeren en macht’ als methode4
2.2.5Reducties bij gebruik van de Angelsaksische systeembenadering in de westerse wereld4
2.3Luhmanns systeembenadering4
2.3.1De essentie van de systeembenadering volgens Luhmann4
2.3.2Verduidelijking van de systeembenadering van Luhmann aan de hand van cases4
2.3.3Luhmanns bijdrage in theoretische zin4
2.3.3.1Luhmanns systeemtheorie als waarnemingsprogramma4
2.3.3.2Bevrijding van de boeien van de logica4
2.3.3.3De invloed van het moderne op Luhmanns theorie4
2.3.3.4Waarnemen verbonden met betekenis4
2.4Onverschilligheid en verborgen verzet4
2.4.1Organisaties hebben de mens als vertrekpunt voor inrichting van de samenleving verdrongen4
2.4.2Waar toezichthouden voor staat4
2.4.3Een toestand waarin onverschilligheid en verzet kan ontstaan4
3Over pragmatisme, sensibiliteit en stavolutie5
Dit hoofdstuk in het kort5
3.1De ontwikkeling in filosofie en hoe we die kunnen begrijpen5
3.1.1Denken gaat boven ervaren bij organiseren in onze tijd5
3.1.2Het Aristotelisch-Thomistisch paradigma5
3.1.3De autonomie van de menselijke geest5
3.1.3.1De rol en betekenis van wiskunde5
3.1.3.2Centraal stellen van de menselijke rede boven natuur en religie: de Verlichting5
3.1.3.3Wat kun je met de rede verklaren?5
3.1.4De omgeving geeft betekenis5
3.2De grondslagen van pragmatisme5
3.2.1Pragmatisme als vorm om verschijnselen in een conceptie te verbinden5
3.2.2Klassiek pragmatisme: de overgang van propositie op bewering5
3.2.3Modern pragmatisme: je blijft bewegen en realiseert je eigen ideeën5
3.3Stadiumgewijze evolutie5
3.3.1Sensibiliteit: zich bewust zijn van verschijnselen die in een omgeving verschil maken5
3.3.2Herkennen van de definitie van de situatie5
3.3.3Verbinden van betekenis in en met patronen: stavolutie5
3.3.4Hoe een individu met de omgeving wordt verbonden5
3.3.5Herkenning van stavolutie5
3.3.5.1Stavolutie in het leven van alledag5
3.3.5.2Stavolutie als grondslag van beleid5
3.3.5.3Stavolutie in marktontwikkelingen5
3.3.6Stavolutie en het paradigma dat ermee verbonden is5
3.3.7De achterkant van duurzaamheid5
4Over gestapelde stavoluties6
Dit hoofdstuk in het kort6
4.1Binnengaan in de wereld van selectiviteit6
4.1.1Je eraan overgeven dat iets anders gaat dan je verwacht6
4.1.2Ordeningen in de realiteit en in een werkelijkheid6
4.1.3Principes van lineariteit en selectiviteit6
4.1.4In wisselwerking tussen omgeving en entiteit, tegenover ontwikkeling van een entiteit6
4.1.4.1Duidingen van wisselwerking6
4.1.4.2Gestapelde stavolutie als wordingsgeschiedenis6
4.2Gestapelde stavolutie tot organiserend vermogen6
4.2.1Stavolutie6
4.2.1.1Herhalen6
4.2.1.2Handhaven6
4.2.1.3Groeien6
4.2.1.4Variëren6
4.2.1.5Differentiëren6
4.2.1.6Animiseren: overgang op S16
4.2.2Gestapelde stavolutie van organiserend vermogen6
4.2.2.1Inbeelden6
4.2.2.2Waarnemen6
4.2.2.3Ontstaan van nerves6
4.2.2.4Exponeren6
4.2.2.5Ontstaan van plasma: overgang op S26
4.2.2.6Ontstaan van organen6
4.2.2.7Ontstaan van predators6
4.2.2.8Bewegen in een biomassa6
4.2.2.9Ontstaan van specifieke stelsels in het plasma, zoals stelsels voor reproductie6
4.2.2.10Bewegen in een omgeving6
4.2.2.11Ontstaan van vermogen te ervaren6
4.2.2.12Ontstaan van neoplasma: overgang op S36
4.2.2.13Ontstaan van bewustzijn6
4.2.2.14Ontstaan van intelligentie6
4.2.2.15Ontstaan van vermogen te symboliseren: overgang op S46
4.2.2.16Ontstaan van vermogen tot conceptualiseren6
4.2.2.17Ontstaan van een werkelijkheid in de realiteit6
4.2.2.18Wisselwerking op grond van werkelijkheid6
4.2.2.19Ontstaan van organiserend vermogen6
4.2.2.20Vigerende stavoluties6
4.3Naar een theorie van gestapelde stavolutie6
4.3.1Twee benaderingen: theorie en model6
4.3.2Principes van betekenisgeving6
4.3.3Vormgeving van consistenties6
4.3.4Karakteristieke kenmerken van gestapelde stavolutie6
4.3.4.1Verzelfstandiging binnen een verzameling entiteiten6
4.3.4.2Wordingsgeschiedenis, logboeken en reproductie6
4.4Betekenisgeving in onze tijd6
4.4.1De definitie van de situatie, gezien vanuit zoektochten naar betekenis6
4.4.2De definitie van de situatie gezien vanuit organiseren: de probleemstelling en opbouw van dit boek6
5Over betekenis en oriëntatie7
Dit hoofdstuk in het kort7
5.1Verbinden van betekenis aan verschijnselen7
5.1.1Herkennen van verschillen in betekenisgeving7
5.1.2Symboliseren van betekenis7
5.2Beschrijving van klassen van samenhang7
5.2.1Ordening in ‘klassen van samenhang’7
5.2.2Generieke referentiestelsels en generieke betekenis7
5.2.3Invloed van de rede op vormgeving van generieke betekenis7
5.3Oriëntatie7
5.3.1Het begrip oriëntatie7
5.3.2Invloed van rede en taal op vooringenomenheden7
5.3.3Gestapelde stavolutie van de rede en de invloed op generieke wisselwerking7
5.3.4Oriëntaties van lagere orde7
5.44 Herkennen van oriëntaties7
5.4.1Kenmerken en toestanden die met oriëntaties te verbinden zijn7
5.4.2Herkennen van oriëntaties als concepties domineren7
5.4.2.1Herkennen van externe oriëntatie in volkomen zin7
5.4.2.2Herkennen van externe oriëntatie in sociale zin7
5.4.2.3Herkennen van interne oriëntatie in absolute zin7
5.4.2.4Herkennen van interne oriëntatie in rationele zin7
5.4.3Vormen van organiseren in omgevingen waarin virtual reality domineert7
5.4.3.1Eovz: ‘stavolutie en gevoel voor realiteit’ en de propositie domineren7
5.4.3.2Eosz: ‘normeren en sociale samenhang’, conceptie en leidend beginsel domineren7
5.4.3.3Iorz: ‘rationaliseren en overtuigen’ en concept domineren7
5.4.3.4Ioaz: ‘construeren en macht’ en beweringen domineren7
5.4.4Naar herkennen van betekenis bij organiseren7
6Over rationaliseren en overtuigen8
Dit hoofdstuk in het kort8
6.1Rationaliseren en overtuigen als vorm van organiseren8
6.1.1Het bestaan van een ideale inrichting als vooronderstelling bij rationaliseren8
6.1.2Rationaliseren als methode en vorm van redelijkheid8
6.1.3Handelingsvormen die met oriëntaties associëren8
6.1.3.1Communicatief handelen8
6.1.3.2Normatief handelen8
6.1.3.3Dramaturgisch handelen8
6.1.3.4Doelgericht handelen8
6.2Rationaliseren en overtuigen als transformatie van concepten8
6.2.1Samenhang in handelingsvormen8
6.2.2Generalisatie van persoon naar groep: introductie van de organisatiefractal8
6.2.3Geïdealiseerde structuur en macht in transformaties8
6.3Explicitering van concepten en handelingsvormen in de fractal8
6.3.1Het organisatieconcept8
6.3.2Doelgericht handelen en het bedrijfsconcept8
6.3.3Dramaturgisch handelen en het imago8
6.3.3.1Front region behaviour8
6.3.3.2Back region behaviour8
6.3.3.3Medium region behaviour8
6.3.3.4Gericht gebruik van dramaturgie8
6.3.4Communicatief handelen: de geëxpliciteerde ideaaltypische vorm8
6.3.5Normatief handelen: explicitering van ideaaltypische normen8
6.4Realisatie8
6.4.1Productief handelen: transformatie van handelingsconcepten in uitvoeringsvormen8
6.4.1.1Uitvoeringsconcepten8
6.4.1.2Protocol voor transformeren: fractalvermenigvuldiging8
6.4.1.3Lussen en de rol van regimes bij aanpassing van de uitvoering8
6.4.1.4Het transformeren van imago8
6.4.2Instrumenteel handelen8
6.4.2.1Uitvoering voortdurend bij de omstandigheden laten passen8
6.4.2.2Dramaturgie binnen instrumenteel handelen8
6.4.3Identiteit als uitkomst8
6.5Karakteristieke courses of action8
6.5.1Blijven zoeken naar een ideale inrichting8
6.5.2Toetsen op zuiverheid8
6.5.2.1Toetsen van consistentie in combinaties van concepten8
6.5.2.2Fractalrotatie als expressie van de oriëntatie van een regime8
6.5.2.3 (In)consistentie tussen oriëntaties, ingezette capaciteit en aard van de dienst8
6.5.3Diagnostiek8
6.5.3.1Invulling van een fractal roept verzet, ergernis, verwarring of vragen op8
6.5.3.2Beperkende tot ziekmakende omstandigheden voor communicatief en normatief handelen8
6.5.3.3Mistransformaties8
6.5.3.4 ‘Normatief juist kanaal’ bij communicatief en dramaturgisch handelen8
6.5.3.5Negeren van secundaire oriëntatie door geen verschil in betekenis van organisatievormen te zien8
7Over construeren en macht9
Dit hoofdstuk in het kort9
7.1Onafhankelijkheid als dominant kenmerk van ioaz9
7.1.1Onafhankelijkheid leren herkennen en waarderen9
7.1.2Onafhankelijkheid gebruiken9
7.1.3Vergroten van onafhankelijkheid binnen regimes9
7.2Vormen van beweringen9
7.2.1De overgang van propositie naar bewering, in de vorm van bezweringsformules9
7.2.2De overgang van conceptie naar bewering, in de vorm van model9
7.2.3De overgang van concept naar bewering, in de vorm van doelstellingen9
7.2.4Opstellen van beweringen9
7.2.4.1Opiniepeilingen9
7.2.4.2Vaststellen van een ontwerp9
7.2.4.3Vaststellen van een beleid9
7.2.4.4Externe adviseurs9
7.2.5Tot gelding brengen van beweringen9
7.3Macht als betekenis, voorwaarde en uitkomst van construeren9
7.3.1De relatie tussen macht en construeren9
7.3.2Beschikken over macht9
7.3.2.1Beschikken over verticale macht9
7.3.2.2Horizontale macht en een eigentijdse vorm in het ontwikkelen van een machtsrelatie9
7.3.3Niet productief gebruikmaken van macht9
7.3.3.1De overgang van een regime-medewerkerverhouding naar een baas-knechtverhouding9
7.3.3.2Intimideren9
7.4Strategie9
7.4.1Vormgeving van grote, hogere en operationele strategie bij verschillende oriëntaties9
7.4.2Grote strategie9
7.4.3Hogere strategie9
7.4.3.1Gebruik van modelmatige oriëntaties9
7.4.3.2Reputatie als vorm van hogere strategie9
7.4.3.3Gebruik van dramaturgie9
7.4.4Operationele strategie9
7.5Kenmerkende courses of action9
7.5.1De kenmerkende courses of action die de revue al gepasseerd zijn9
7.5.1.1Bevrijd zijn van de druk het met anderen eens te moeten worden9
7.5.1.2Je ziet wat je wilt zien9
7.5.1.3Pas als je goed voor jezelf bent kun je ook goed voor anderen zijn9
7.5.1.4Je maakt wat je wilt zijn9
7.5.1.5Prioriteiten stellen9
7.5.1.6Het doen en ontwikkelen van beweringen in de vorm van statements9
7.5.1.7Vergroten van vrijheidsgraden van de organisatie9
7.5.1.8Productief handelen domineert9
7.5.1.9Strategisch handelen is noodzaak9
7.5.2Handhaven van macht bij een gegeven sociale wetgeving9
7.5.3Ontwikkelen van grootschaligheid9
7.5.4Spanningen binnen organisaties bij ‘construeren en macht’9
7.5.5Construeren van veranderingen9
7.5.5.1Selectie van medewerkers9
7.5.5.2Reorganiseren als middel om loyale medewerkers te plaatsen9
7.5.5.3Transitiemanagement als vormgeving van veranderingsprocessen9
8Over normeren en sociale samenhang10
Dit hoofdstuk in het kort10
8.1Herkennen van normeren en sociale samenhang10
8.2Ervaren van sociale samenhang10
8.2.1De plaats in een groep: eer, aanzien en jaloezie10
8.2.2‘Gericht zijn op de ander’ is leidend10
8.2.2.1Invloed van de groep op initiatieven10
8.2.2.2Ervaren van helpen, geven, delen en nemen10
8.2.3Conceptie en leidend beginsel als grondslagen van ‘normeren en sociale samenhang’10
8.2.3.1De begrippen ‘conceptie’ en ‘leidend beginsel’10
8.2.3.2Transformaties van conceptie in leidende beginselen: ethiek, moraal en zeden10
8.2.4De groep ervaren: delen van rituelen, symbolen en helden10
8.2.5De rol van de leider10
8.2.5.1Principes van betekenisgeving en vormen van leiderschap10
8.2.5.2Legitimiteit van leiderschap10
8.2.5.32.5.3 Verlies van leiderschap in onze tijd10
8.2.62.6 Transitie binnen sociale samenhang10
8.3Hoe rationaliteit sociale samenhang beïnvloedt10
8.3.1De invloed van conceptualiseren10
8.3.2Hoe betekenis die anderen jou geven door omstandigheden beïnvloed wordt10
8.3.2.1In primitieve omstandigheden10
8.3.2.2In westerse omstandigheden: verzekeren als expressie van sociale samenhang10
8.3.3Organisatievormen en waar die op duiden10
8.3.4De status van ‘het project’ van vooruitgang10
8.4Sociale samenhang als toestand in onze tijd10
8.4.1Play als vormgeving en ruimte voor sociale transitie10
8.4.2Transformaties van concepties naar leidende beginselen10
8.4.3Herkennen van vervaging van externe oriëntatie in sociale zin in onze tijd10
8.4.3.1In helpen10
8.4.3.2In het veronderstellen van dominantie van rationaliteit bij al het handelen10
8.4.3.3In het gaande houden van organisaties en instituties: Mesa Verde in de sociale praktijk10
8.5Gedragslijnen en courses of action10
8.5.1Gedragslijnen10
8.5.1.1De agenda van de ander is leidend10
8.5.1.2Je verbinden met de context van de ander10
8.5.1.3Het gevoel bedreigd te worden met uitstoting10
8.5.1.4Helpen10
8.5.1.5Geven en nemen, reciprociteit10
8.5.1.6Honoreren van eer en aanzien10
8.5.1.7Meedoen aan rituelen, delen van symbolen en helden10
8.5.1.8Normeren in ‘normeren en sociale samenhang’: opvoeden, preken en opleiden10
8.5.1.9Blokkeren van veranderingen10
8.5.1.10De vorm van leiderschap10
8.5.1.11Je steunt instellingen die kenmerkend zijn voor ‘normeren en sociale samenhang’10
8.5.2Courses of action10
8.5.2.1Herkennen en accepteren van het niet-maakbare in sociale samenhang10
8.5.2.2Zo organiseren dat de agenda van de ander leidend kan zijn10
8.5.2.3Praktische maatregelen om in dezelfde context te kunnen staan10
8.5.2.4Normeren door vormen van belonen en straffen10
8.5.2.5Herkennen van parasiteren op sociale samenhang10
9Over stavolutie en gevoel voor realiteit11
Dit hoofdstuk in het kort11
9.1Herkennen van toestanden en wat daarin wel en niet gebeurt11
9.1.1Herkennen van toestanden en interventies11
9.1.2Herkennen van een toestand waarin de ene interventie de andere uitlokt11
9.1.3Herkennen van stavolutie en gestapelde stavolutie binnen modellen en systemen11
9.1.4Proposities, primaire verschijnselen en sensibiliteit11
9.2Herkenning van eovz in de westerse cultuur11
9.2.1Streven naar eovz als representatie van het principe van selectiviteit11
9.2.2Herkenning van het principe van selectiviteit in religies en levenswijzen11
9.2.3Vormen van overgave11
9.2.3.1Overgave in religieuze vormen die op het principe van lineariteit berusten11
9.2.3.2Overgave in religieuze vormen die op het principe van selectiviteit berusten11
9.2.3.3Overgave aan jezelf door jezelf als referentie te kiezen11
9.2.3.4Overgang van overgave in religie naar overgave aan het natuurfilosofisch paradigma11
9.2.4Het principe van selectiviteit bij organiseren11
9.2.4.1Over het grensvlak van organisaties in de realiteit11
9.2.4.2Over herkenning van het principe van selectiviteit in virtual reality11
9.2.4.3Over ruimte voor het principe van selectiviteit binnen organisaties11
9.2.4.4Over de ruimte voor het principe van selectiviteit in de samenleving11
9.3De gestapelde stavolutie van organiserend vermogen11
9.3.1Invloed van technologie op de gestapelde stavolutie van organiserend vermogen11
9.3.2Gedrevenheid vanuit de natuur als omgeving11
9.3.3Functionele gedrevenheid11
9.3.4Conceptgedrevenheid11
9.3.5Systeem- en beeldgedrevenheid11
9.3.6Virtuele gedrevenheid11
9.4Gevoel voor realiteit11
9.4.1Herkenning van toestanden en wat daarin kenmerkend is11
9.4.1.1De definitie van de situatie11
9.4.1.2Optredende verschijnselen aan een toestand gebonden zijn11
9.4.2Herkenning van de omgeving als context van waaruit betekenis ontstaat11
9.4.2.1Invloed van de omgeving11
9.4.2.2De wijze waarop verschillende principes van betekenisgeving tot gelding komen11
9.5Gedragslijnen en courses of action11
9.5.1Gedragslijnen11
9.5.1.1Overgave, verbinden en heelheid11
9.5.1.2Herkennen van de definitie van de situatie11
9.5.1.3Inleven11
9.5.1.4Worstelen met het onbereikbare11
9.5.1.5Selectiviteit als methode11
9.5.2Courses of action11
9.5.2.1Strooivuur aansteken11
9.5.2.2Iets of jezelf aanbieden: markt en marktplaats11
9.5.2.3Simuleren van ‘stavolutie en gevoel voor realiteit’ in ‘rationaliseren en overtuigen’11
9.5.2.4In taal gebruik maken van de toestand van dynamiteit11
9.5.2.5Duiden en herstellen van betekenis die genegeerd wordt11
Epiloog12