Als je oriëntaties herkent zie je hoe iemand is opgesloten

De wetenschapsbijlage van de NRC in het weekend van 5 november 2011 was zeer interessant. Een lang interview met Dick Swaab over zijn boek Wij zijn ons brein en de reacties daarop. En een lang interview met de hoogleraar arbeids- en organisatiepsychologie Carsten de Dreu uit Amsterdam, naar aanleiding van een onderzoek over het handelen van Diederik Stapel, tot voor kort hoogleraar sociale psychologie aan de Universiteit van Tilburg. Bij dat laatste interview stond een overzicht van theorieën in de sociale psychologie, minstens zo interessant als het interview zelf. Er zouden vijf klassen van theorieën zijn die dat vakgebied schragen. Ik druk ze uit in oriëntaties: een open oriëntatie die tot uitdrukking komt in een evolutionaire theorie die ze ook wel biologisch noemen, een rationele oriëntatie die zij cognitieve theorie noemen, de zelfreferentiële oriëntatie met een focus op motivatie en gevoel die zij als ‘terror management’ theorie wegzetten, de sociale oriëntatie, die zij twee klassen meegeven: de ‘need to belong’theorie en een theorie met een focus op groepen en cultuur, bij mijn wijze van zien een combinatie van de open oriëntatie en een mix van alle anderen. Alle theorieën doen ertoe, de een is niet beter dan de ander. Tezamen beslaan de theorieën het hele veld van sociaal psychologie. Ze beschrijven hoe mensen op zoek zijn naar betekenis of betekenis geven.

In mijn boek Met gevoel voor realiteit, over herkennen van betekenis bij organiseren (2003) toon ik aan dat er niet meer dan vier vormen van betekenisgeving zijn. Een oriëntatie is een vooringenomenheid in vormen van betekenisgeving. Die ontstaat evolutionair in de eerste jaren van je leven in wisselwerking met de omgeving waarin je opgroeit. Alle vormen van betekenisgeving doen ertoe, maar je ontwikkelt onbewust en onontkoombaar een dominantie in één van de vormen, en zo ontstaat je eigen oriëntatiemix die als patroon voor anderen herkenbaar wordt. Als die mix eenmaal is vastgelegd raak je die nooit meer kwijt en zal het je oordeelsvorming en handelen domineren. Wel zal je oriëntatiemix verbreden als je in en met verschillende omgevingen in wisselwerking staat. Je oriëntatiemix kan ook versmallen als je steeds in een omgeving verkeert waarin slechts een of twee vormen van betekenisgeving domineren. Bijvoorbeeld als je steeds met dezelfde mensen optrekt, of in een wetenschappelijke omgeving werkt en daarin betekenis zoekt, krijgt en geeft.

Dat komt overeen met wat Dick Swaab in zijn boek zegt. ”We zijn” – zei hij in een interview met Margriet van der Heijden – “het product van een mix van genetische informatie, de complexe invloeden in de baarmoeder en, in mindere mate, de ervaringen in de eerste levensjaren. Daarna is ons karakter gevormd en liggen onze capaciteiten en beperkingen vast. Daar moeten we het verder mee doen.” Zijn critici verwijten hem dat hij gesloten is, alles vanuit zijn model wil verklaren en dat dit te beperkt is. Inmiddels zegt hij over die kritieken dat hij nog geen goede tegenwerping heeft gehoord. De interviewster tast af hoe hij die kritieken uitleest en vindt steeds een bevestiging van haar typering van Swaab: meedogenloos reductionistisch.

Maar treedt Swaab eens tegemoet vanuit betekenisgeving, oriëntaties. Wat zie je dan? Er gaat een hele nieuwe wereld voor je open. De genoemde sociaalwetenschappelijke theorieën laten zien dat mensen voortdurend bezig zijn met alle vormen van betekenis in hun leven, ernaar op zoek zijn. Dat wordt door Swaab niet ontkend, maar hij filtert alles vanuit zijn oriëntatiemix. Hij geeft alleen betekenis aan zaken die hij kan deduceren tot een oorzakelijk verband. Dat noemt hij: iets is al of niet concreet. In de ogen van anderen wordt hij daarmee meedogenloos reductionistisch. Reductionistisch associeer ik met het verschijnsel dat hij betekenis geeft vanuit de rationele oriëntatie. Meedogenloos verbind ik met het fenomeen dat hij een andere betekenisgeving dan welke hij zelf geeft, zelfs niet in beschouwing neemt. Hij wordt daardoor ervaren als zelfreferentieel. Dat wil niet zeggen dat hij de sociale en open oriëntatie ontkent. Onder andere uit het interview van Margriet van der Heijden blijkt dat hij prima beschikt over sociale omgangsvormen. Maar dat is onderdeel van zijn gedrag, wat heel iets anders is dan het model dat hij van mensen heeft gemaakt en van waaruit hij betekenis geeft. Pas als je oriëntaties serieus neemt, zie je hoe hij betekenis geeft en herken je hoe hij is opgesloten in zijn eigen oriëntatiemix. In zijn boek geeft hij veel voorbeelden en trekt hij – zoals ieder van ons onontkoombaar – conclusies die zijn oriëntatiemix laten zien.

Mag je een andere oriëntatiemix verwachten van een hoogleraar neurowetenschappen? Ik denk het niet. Hij is een leven lang op zoek naar verbanden die iets verklaren. Zijn model helpt hem erbij en levert veel waardevolle conclusies op. Maar kijk je vanuit het hele arsenaal van oriëntaties, dan gaat hij de mist in – zonder dat te kunnen zien – omdat hij niet van betekenisgeving uitgaat en zijn eigen vooringenomenheid in betekenisgeving niet ziet. Hij zal vast wel op de hoogte zijn van theorieën op sociaalpsychologisch gebied. Ik verwacht dat hij die bij de cognitieve theorie zal parkeren.

Tegelijkertijd laat het rapport over de onwetenschappelijke gedragingen van de Tilburgse ex-hooggeleerde Stapel zien dat de manier van kijken en beschouwen van Dick Swaab in dat vakgebied te weinig gewicht krijgt. Swaab wil kunnen verifiëren, falsificeren, wetenschappelijk bezig zijn. Juist in de wereld van sociaal psychologen (en kennelijk ook binnen de universiteit van Tilburg) kun je met gemak als wetenschapper verdwalen.

Swaab en het geval Stapel en de opsomming van oriëntaties waarop de theorieën van de sociaalpsychologie gebaseerd zijn, laten de grenzen van wetenschap zien. De rationele betekenis van verschijnselen is niet dezelfde als de betekenis die een verschijnsel heeft vanuit een sociale, evolutionaire of zelfreferentiële oriëntatie. Dat kun je elke dag herkennen bij de manieren waarop de huidige crises in onze samenleving beschreven of aangepakt worden, en bijvoorbeeld ook in een recensie van het boek Geloof in Wetenschap met als titel: Sommige geleerden geloven, maar niet in het lab, in dezelfde krant, in datzelfde weekend. Zo krijgt vorm wat de NRC wil zijn: slijpsteen voor de geest.

Wim van Dinten

Dit bericht is geplaats in Column, Populair en getagd , , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark deze pagina.

Reacties zijn gesloten.